ECLI:NL:RBDHA:2026:4362

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/09/698472 / KG ZA 26-93
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 RvArt. 254 RvArt. 351 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot schorsing tenuitvoerlegging echtscheidingsbeschikking wegens gebrek aan spoedeisend belang

Partijen zijn in 2013 gehuwd en bij beschikking van november 2025 is hun echtscheiding uitgesproken met een verdeling van de gemeenschap van goederen, waaronder een cryptoportefeuille en hypotheeklasten. De vrouw werd verplicht bepaalde betalingen te doen en documenten te verstrekken, met dwangsommen bij niet-naleving.

De man vorderde betaling en verstrekking van bankafschriften, waarop de vrouw reageerde dat zij de hypotheeklasten grotendeels had voldaan en dat zij een vordering op de man had. De vrouw stelde hoger beroep in en verzocht in kort geding om schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking en het terugdraaien van de dwangsommen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad was en dat de vrouw onvoldoende spoedeisend belang had om de tenuitvoerlegging te schorsen, mede omdat het hof medio april 2026 uitspraak zal doen. Ook de vordering tot het terugdraaien of opschorten van de dwangsommen werd afgewezen wegens onduidelijkheid en gebrek aan bewijs van executie.

De vrouw werd veroordeeld in de proceskosten van €1.707,- en de wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp op 3 maart 2026.

Uitkomst: De vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging en het terugdraaien van dwangsommen worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/698472 / KG ZA 26-93
Vonnis in kort geding van 3 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. R.W.S. Nijman te Oegstgeest,
tegen:
[de man]te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. F.D. van Damme te Beverwijk.
Partijen worden hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 februari 2026, met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 7;
- de aanvullende (ongenummerde) producties van de vrouw.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 17 februari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten verder toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord.
1.3.
Na de mondelinge behandeling volgt dit vonnis.

2.De feiten

Op grond van de stukken en op grond van wat er op de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn op 10 mei 2013 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Bij beschikking van deze rechtbank van 11 november 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken (hierna de beschikking).
2.2.
In de beschikking heeft de rechtbank, voor zover nu relevant, als volgt beslist:

Beslissing
De rechtbank:
(…)
*
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
(…)
aan de vrouw worden toegedeeld:
(…)
-
de cryptoportefeuille bij Bitvavo voor de waarde per 1 januari 2024, zijnde€ 69,37 onder de verplichting voor de vrouw om de helft van die waarde, zijnde een bedrag van € 84,69 aan de man te betalen;
(…)
bepaalt dat de vrouw binnen twee weken na de datum van deze beschikking een bankafschrift waaruit het saldo van haar bankrekening bij ABNAMRBO Bank met nummer [rekeningnummer] per 16 februari 2024 blijkt aan de man dient te verstrekken, bij gebreke waarvan zij een dwangsom verschuldigd zal zijn van € 25,- per dag dat zij hier geen uitvoering aan geeft, met een maximum van € 500,-;
(…)
bepaalt dat de vrouw betreffende de betaling van de rente en de aflossing van de hypotheek over de periode 16 februari 2024 tot en met 16 november 2025 een bedrag van € 8.219,82 ( = 21 x 391,42) aan de man moet betalen en met ingang van 16 november 2025 maandelijks een bedrag van € 391,42 aan de man moet betalen tot aan de dag van de overdracht van de woning;
*
bepaalt dat de man een regresvordering heeft op de vrouw in totaal ten bedrage van € 3.091,23;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
(…)
2.3.
In een e-mailbericht van 14 november 2025 heeft de man via zijn advocaat aan de vrouw verzocht om betaling van een totaalbedrag van € 11.775,66, bestaande uit:
(i) de achterstallige hypotheeklasten over de periode 16 februari 2024 t/m 30 november 2025 van € 8.415,53;
(ii) de regresvordering gemeenschapsschulden van € 3.091,23;
(iii) verrekening ING bankrekening van € 184,21; en
(iv) verrekening Bitvavo cryptoportefeuille van € 84,69.
Ook heeft de man verzocht om verstrekking van het in de beslissing genoemde bankafschrift van de ABN AMRO. Bij brief van 24 november 2025 heeft de man deze verzoeken herhaald en aangegeven dat als de vrouw niet betaalt, hij executiemaatregelen zal treffen.
2.4.
Op 26 november 2025 heeft de advocaat van de vrouw daarop gereageerd en bericht dat niet de man, maar de vrouw van mei 2024 tot en met november 2025 de hypotheeklasten heeft voldaan, met uitzondering van de maanden juli en augustus. Verder heeft zij een overzicht gemaakt van de vorderingen die de vrouw volgens haar op de man heeft. Volgens de vrouw is de man haar per saldo een bedrag van € 4.139,28 verschuldigd en zij heeft hem verzocht tot betaling daarvan over te gaan.
2.5.
Op 17 december 2025 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank en daarbij een incident opgeworpen tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van (een deel van) de beschikking.
2.6.
Op 13 januari 2026 is de beschikking aan de vrouw betekend en heeft de deurwaarder namens de man bevel gedaan om (i) binnen twee weken een bankafschrift van het saldo van de bankrekening bij de ABN ARMO per 16 februari 2024 aan de man te verstrekken en (ii) binnen twee dagen een bedrag van € 84,69 inzake Bitvavo en € 3.091,23 betreffende de regresvordering te betalen. Daarbij is de vrouw aangezegd dat als zij het onder (i) genoemde bankafschrift niet tijdig verstrekt, zij een dwangsom zal verbeuren van € 25,- per dag, met een maximum van € 500,-.
2.7.
De volgende dag heeft de advocaat van de vrouw per e-mail aan de deurwaarder bericht dat de vrouw ervan uitgaat dat voornoemd bevel berust op een misverstand, omdat zij al op 26 november 2025 aan de advocaat van de man heeft bericht dat de vrouw na verrekening een vordering op de man heeft.
2.8.
Bij e-mailbericht van 21 januari 2026 heeft de advocaat van de man namens hem bericht dat de man geen aanleiding ziet om de executie te staken of op te schorten.
2.9.
Op 3 februari 2026 heeft de deurwaarder executoriaal loonbeslag gelegd onder de werkgeefster van de vrouw.
2.10.
Op 13 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden. De uitspraak van het hof wordt medio april 2026 verwacht.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de tenuitvoerlegging van de beschikking opschort totdat in het hoger beroep tegen die beschikking einduitspraak is gedaan; dan wel
II. de tenuitvoerlegging van de beschikking, wat betreft de verdeling van het saldo van de Bitvavo-rekening, het saldo op de ABN-rekening van de vrouw ( [rekeningnummer] ) op de peildatum, de gebruiksvergoeding van de man van € 3.091,23 en de betaling van het door de vrouw aan de man te betalen bedrag in verband met de rente en aflossing van de hypotheek vanaf 16 februari tot en met de datum van overdracht van de echtelijke woning, op te schorten totdat in het hoger beroep tegen die beschikking einduitspraak is gedaan; en
III. het verbeuren van de in die beschikking toegewezen dwangsommen afwijst nu daaraan reeds gehoor is gegeven, dan wel die beslissing eveneens opschort totdat in het hoger beroep tegen die beschikking einduitspraak is gedaan;
met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.2.
De vrouw stelt dat de beschikking op het punt van de hypotheeklasten aantoonbaar onjuist is, omdat niet de man, maar zijzelf die lasten heeft voldaan. Na verrekening van de vorderingen over en weer heeft de vrouw een vordering op de man en niet andersom. Ook heeft de vrouw al op 26 november 2025 aan de hand van stukken aangetoond wat het saldo van de bankrekening bij ABN ABMO bedroeg. De man is daarom ten onrechte gestart met de executie van de beschikking door bevel tot betaling te doen en dwangsommen aan te zeggen.
3.3.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Tenuitvoerlegging van de beschikking
4.1.
De beschikking van 25 november 2025 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beschikking ten uitvoer mag worden gelegd, bij voorbeeld door het leggen van executoriaal beslag, ook al is hoger beroep ingesteld en is de beslissing dus nog niet definitief. Dat is hier aan de orde omdat in opdracht van de man beslag is gelegd voor de incasso van de in de beschikking genoemde regresvordering van € 3.091,23 en de vordering van € 84,69 uit hoofde van de verdeling van de Bitvavo-rekening.
4.2.
De vrouw wil dat dat de man stopt met de tenuitvoerlegging van de beschikking van 25 november 2025 en dat de uitkomst van de zaak in hoger beroep wordt afgewacht.
Om dat te bereiken zijn er – als hoger beroep is ingesteld – twee procedurele mogelijkheden: het aanhangig maken van een zogenoemd executiegeschil bij de (voorzieningen)rechter op de voet van artikel 438 (en 254) van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij het gerechtshof dat het hoger beroep behandelt op de voet van artikel 351 Rv Pro. In beide procedures gelden (inmiddels [1] ) dezelfde toetsingscriteria, juist om te voorkomen dat naast het beroep nog een procedure bij de rechtbank zou moeten worden gevoerd.
De vrouw heeft beide wegen bewandeld; zij vorderde (incidenteel) schorsing van de tenuitvoerleggen bij het hof en datzelfde vordert zij nu bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. Op 13 februari 2026 vond bij het hof de mondelinge behandeling plaats van zowel de hoofdzaak als het incident, en daarbij is een beslissing in het vooruitzicht gesteld over zes weken.
4.3.
De vrouw heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan duidelijk is dat die beslissing van hof niet kan worden afgewacht en een onmiddellijke voorziening over de tenuitvoerlegging vereist is. De vrouw heeft over haar spoedeisend belang aangevoerd dat de man haar heeft gesommeerd om het in de beschikking toegewezen (totaal)bedrag te betalen en dat hij ten onrechte en/of onnodig beslag legt omdat zíj – anders dan in de beschikking is aangenomen – de hypotheeklasten betaalde en een vordering op de man heeft, waardoor per saldo hij nog aan haar moet betalen (en zij niet aan hem). Over die hypotheeklasten en de vergoedingsvordering van de vrouw op de man in dat kader, zijn partijen het naar het zich laat aanzien eens. Maar de nu aangevangen executie ziet niet op de beslissing over de door de vrouw te betalen vergoeding voor hypotheeklasten. En dat de vrouw mogelijk een vordering op de man heeft die hoger is dan de vordering op haar die hij nu int, maakt op zich niet dat de man geen aanspraak heeft op de toegewezen bedragen en daaruit volgt ook niet dat de vrouw spoedeisend belang heeft bij de nu gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen grond om – vooruitlopend op het binnenkort te verwachten oordeel van het hof – de tenuitvoerlegging van de beschikking te schorsen. De daartoe strekkende vorderingen van de vrouw worden daarom afgewezen.
Dwangsommen
4.4.
Verder vordert de vrouw dat de voorzieningenrechter ‘de in de beschikking toegewezen dwangsommen afwijst’ dan wel ‘die beslissing opschort totdat in het hoger beroep einduitspraak is gedaan’. Het is niet duidelijk wat de vrouw daarmee precies bedoelt en op grond van welke rechtsregel de voorzieningenrechter een dergelijke vordering zou moeten toewijzen. Reeds om die reden moet de vordering worden afgewezen.
4.5.
Voor zover de vrouw met haar vordering beoogt te bewerkstelligen dat de beschikking op het punt van opgelegde dwangsom moet worden teruggedraaid, geldt dat niet valt in te zien waarom de beslissing in hoger beroep niet kan worden afgewacht. Als de vrouw met haar vordering bedoelt dat de man moet worden gedwongen de executie van de dwangsommen te staken omdat deze niet zouden zijn verbeurd, kan die vordering ook niet worden toegewezen. Om te beginnen is niet gebleken dat de man daadwerkelijk met de executie van dwangsommen is aangevangen. En verder geldt dat in geschil is of de vrouw dwangsommen heeft verbeurd en in deze procedure niet reeds duidelijk is dat geen dwangsommen zijn verbeurd. Dat vergt nader onderzoek naar de door (de advocaat van) de vrouw aan (de advocaat van) de man gestuurde stukken waarvoor in dit kort geding geen ruimte bestaat.
Proceskosten
4.6.
De voorzieningenrechter ziet in deze zaak geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld wordt veroordeeld in de proceskosten. De vrouw koos ervoor om een vordering in kort geding in te stellen terwijl dezelfde vordering in hoger beroep wordt behandeld. Nu geoordeeld wordt dat zij daarbij onvoldoende spoedeisend belang heeft, moet zij de proceskosten dragen. De proceskosten (inclusief nakosten) van de man worden begroot op:
- griffierecht € 341,-
- salaris advocaat € 1.177,-
- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.707,-.
4.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt de vrouw in de proceskosten van € 1.707,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de vrouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de vrouw € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt de vrouw in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
fjs

Voetnoten

1.Na HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (