Partijen zijn in 2013 gehuwd en bij beschikking van november 2025 is hun echtscheiding uitgesproken met een verdeling van de gemeenschap van goederen, waaronder een cryptoportefeuille en hypotheeklasten. De vrouw werd verplicht bepaalde betalingen te doen en documenten te verstrekken, met dwangsommen bij niet-naleving.
De man vorderde betaling en verstrekking van bankafschriften, waarop de vrouw reageerde dat zij de hypotheeklasten grotendeels had voldaan en dat zij een vordering op de man had. De vrouw stelde hoger beroep in en verzocht in kort geding om schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking en het terugdraaien van de dwangsommen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad was en dat de vrouw onvoldoende spoedeisend belang had om de tenuitvoerlegging te schorsen, mede omdat het hof medio april 2026 uitspraak zal doen. Ook de vordering tot het terugdraaien of opschorten van de dwangsommen werd afgewezen wegens onduidelijkheid en gebrek aan bewijs van executie.
De vrouw werd veroordeeld in de proceskosten van €1.707,- en de wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp op 3 maart 2026.