ECLI:NL:RBDHA:2026:4304

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696627 / JE RK 25-2180
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herstelrekest verlenging ondertoezichtstelling minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, omdat er onvoldoende informatie was om een afgewogen besluit te nemen over beëindiging. De gecertificeerde instelling stelde dat de bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige nog bestond, maar dat noodzakelijke hulpverlening in het vrijwillige kader kon plaatsvinden. De moeder betoogde dat de Raad geen adequaat onderzoek had verricht en dat de ondertoezichtstelling niet meer nodig was.

De kinderrechter nam kennis van eerdere beschikkingen en constateerde dat ondanks eerdere verlengingen en verwachtingen, er geen hulpverlening was opgestart en geen contact was tussen de minderjarige en zijn vader. De intake bij Jeugdformaat leidde niet tot passend vervolgtraject, waardoor het dossier uit het oog was verloren. De rechtbank achtte het verlengen van de ondertoezichtstelling zinloos en nutteloos.

De vader werd niet langer als belanghebbende aangemerkt, maar als informant. De rechtbank oordeelde dat de Raad voldeed aan de wettelijke vereisten voor het herstelrekest, maar dat de inhoudelijke situatie geen verlenging rechtvaardigde. Het verzoek werd daarom afgewezen. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen wegens gebrek aan nut en onvoldoende borging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/696627 / JE RK 25-2180
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
Raad voor de Kinderbeschermingte Den Haag,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. Erkens uit Wateringen.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader], hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.F.A van Pelt te Rotterdam.
en
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het herstelrekest met bijlagen van de Raad, ontvangen op 23 december 2025;
- het verzoek tot verlenging van de gecertificeerde instelling van 23 december 2025;
- toetsing voorgenomen besluit beëindiging ondertoezichtstelling door de Raad van
4 december 2025;
- het verweerschrift van de moeder, met bijlagen, van 30 januari 2026.
1.2.
Op 2 februari 2026 is op de zitting van deze rechtbank zowel het onderhavige verzoek als het aangehouden verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling betreffende [minderjarige] (C/09/643391 / FA RK 23-1398)
gecombineerd behandeld. Op laatstgenoemd verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking van 2 maart 2026 beslist.
Bij de zitting waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
- [naam 1] als vertegenwoordiger van de Raad;
- [naam 2] , als vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling.
Door de advocaat van de vader zijn pleitnotities overgelegd.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
Zij zijn de ouders van het volgende, nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] ;
2.3.
De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
2.4.
De moeder heeft naast [minderjarige] nog een oudere zoon uit een eerdere relatie:
[jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] .
2.5.
Bij beschikking van 2 juli 2019 is de vader het recht op omgang ontzegd.
2.6.
Bij beschikking van 7 juli 2023 (in de procedure met zaaknummer C/09/643391 /
FA RK 23-1398) is een informatieregeling vastgesteld, is de Raad verzocht om
een onderzoek te verrichten en is iedere verdere beslissing aangehouden.
2.7.
Bij beschikking van 22 mei 2024 is in de procedure met zaaknummer
C/09/664635 / JE RK 24-675 [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting
Jeugdbescherming west Haaglanden van 22 mei 2024 tot 22 november 2024, en in
de procedure met zaaknummer C/09/643391 / FA RK 23-1398 is iedere verdere
behandeling ten aanzien van de omgangsregeling aangehouden.
2.8.
Bij beschikking van 14 november 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige]
verlengd van 22 november 2024 tot 22 mei 2025.
2.9.
Bij beschikking van 28 november 2024 is iedere verdere behandeling ten aanzien
van de omgangsregeling aangehouden.
2.10.
Bij beschikking van 1 mei 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd
van 22 mei 2025 tot 22 november 2025.
2.11.
Bij beschikking van 2 juni 2025 is bepaald dat [minderjarige] voorlopig onder regie en
naar inzicht van de jeugdbeschermer contact zal hebben met de vader en is iedere
verdere beslissing over de omgangsregeling aangehouden tot 1 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Omdat het verzoek van de Raad een herstelrekest is, verwijst de Raad voor de onderbouwing daarvan naar het als bijlage bij het herstelrekest gevoegde ‘verzoek verlenging ondertoezichtstelling’ van de gecertificeerde instelling.
3.2.
De Raad heeft in de toetsing voorgenomen besluit beëindiging ondertoezichtstelling aangegeven dat de Raad zich onvoldoende voorgelicht acht.
De benaderde jeugdbeschermers hebben inhoudelijk onvoldoende aanvullende informatie kunnen verschaffen over het welzijn van [minderjarige] , de status van zijn huidige ontwikkeling en zijn opvoedomstandigheden bij moeder, wat het voor de Raad onmogelijk maakt om gedegen en zuiver een afgewogen besluit te kunnen nemen op het voorliggende vraagstuk of er nog gronden zijn voor een voortzetting van de ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige] .
De Raad heeft, gezien de geëxpireerde status van de ondertoezichtstelling, een herstelverzoek ingediend, zodat de gecertificeerde instelling de gelegenheid heeft om een gedegen beeld te vormen over de stand van zaken rondom de ontwikkeling van [minderjarige] , zijn opvoedomgeving en een visie te vormen op of en welke inzet van hulpverlening in het belang is van [minderjarige] en zijn opvoedomgeving en of een ondertoezichtstelling-kader daartoe benodigd is of dat een borgingsplan dient te worden opgesteld in overdracht van het gedwongen naar het vrijwillige kader.

4.De standpunten

4.1.
Volgens de gecertificeerde instelling is er nog steeds sprake van een bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] , maar noodzakelijke hulpverlening hiervoor kan verder lopen in het vrijwillige kader. De moeder lijkt hiervoor open te staan en zowel [minderjarige] als moeder werken mee aan hulpverlening. Daarom wilde de gecertificeerde instelling de maatregel beëindigen. De gecertificeerde instelling heeft helaas niet voldoende kunnen borgen. De intentie was om een aanmelding te doen bij RondomJou of Kracht en een borgingsplan te maken. Dit is niet gelukt vanwege organisatorische redenen, zoals werkdruk en monitorlijst. De gecertificeerde instelling begrijpt dat de Raad nu niet akkoord kan gaan met beëindigen van de ondertoezichtstelling, maar staat er niet achter. Nu is de maatregel geëxpireerd en heeft de Jeugdbescherming geen juridische positie meer. Wanneer de rechter, na indienen van het herstelrekest van de Raad, besluit om de ondertoezichtstelling opnieuw uit te spreken, zal de jeugdbescherming deze versneld oppakken en alsnog richting borging gaan.
4.2.
De moeder heeft zich, kort weergegeven, op het standpunt gesteld dat de Raad geen adequaat onderzoek heeft verricht. Elke feitelijke en concrete onderbouwing van de vereiste noodzaak van een ondertoezichtstelling ontbreekt. Volgens de gecertificeerde instelling blijkt er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging meer te zijn, althans die kan in het vrijwillige kader worden opgelost. De gecertificeerde instelling concludeert zelf tot beëindiging van de maatregel. In elk geval wordt niet voldaan aan de strenge criteria uit wet en jurisprudentie. De moeder accepteert alle noodzakelijke hulp. Het is in het belang van de moeder en het gezin dat de procedures, de druk, de dreiging en de dwang stoppen. De moeder moet haar therapie kunnen volgen. Dat belang weegt veel zwaarder dan het recht en belang van vader en zoon op contact met elkaar.
De moeder stelt zich op het standpunt dat de Raad niet-ontvankelijk is in haar verzoek en/of dat het verzoek moet worden afgewezen. Verder stelt de moeder zich op het standpunt dat de vader geen belanghebbende is bij het verzoek tot ondertoezichtstelling. Het raakt zijn recht op omgang, maar er is geen gezinsleven dat wordt geraakt en hij heeft geen gezag.

5.De beoordeling

Belanghebbende/informant
5.1.
De vader was in het kader van de ondertoezichtstelling door de kinderrechter als belanghebbende aangemerkt. Dit had ermee te maken dat de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling voor de omgang de regie had moeten voeren en had moeten zorgen voor omgang tussen de vader en [minderjarige] . Nu de ondertoezichtstelling niet wordt verleend en er geen sprake is (geweest) van family life tussen [minderjarige] en de vader, is de kinderrechter van oordeel dat de vader niet langer als belanghebbende is aan te merken. De kinderrechter merkt de vader daarom als informant aan in de procedure met betrekking tot de ondertoezichtstelling.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
Voor wat betreft de onderbouwing van het verzoek door de Raad is de kinderrechter, anders dan namens de moeder is betoogd, van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten. De Raad heeft in dit geval, waarin sprake is van een herstelrekest, kunnen volstaan met een verwijzing naar de stukken en de onderbouwing van de gecertificeerde instelling.
5.3.
De kinderrechter overweegt dat in de beschikkingen van 14 november 2024 en van 15 mei 2025 heel duidelijk is aangegeven wat in het kader van de ondertoezichtstelling van de gecertificeerde instelling werd verwacht. Ook is aangegeven dat de rechtbank het ernstig en teleurstellend acht dat er op dat moment nog steeds geen hulpverlening was opgestart.
5.4.
De kinderrechter stelt op grond van de overgelegde stukken en hetgeen op zitting is besproken opnieuw vast dat er nu nog altijd geen hulpverlening is opgestart en dat er nog altijd geen contact is geweest tussen [minderjarige] en zijn vader. Er heeft weliswaar een intake door Jeugdformaat plaatsgevonden, maar vervolgens heeft Jeugdformaat besloten dat geen passend traject kan worden aangeboden dat aansluit bij de complexiteit en intensiteit van de hulpvragen van het gezin. Hierna is er geen vervolg gekomen en is het dossier uit het oog verloren. Deze hele gang van zaken is naar het oordeel van de kinderrechter zeer teleurstellend en de ondertoezichtstelling heeft naar het oordeel van de kinderrechter alleen maar tijdverlies opgeleverd. De kinderrechter heeft er geen enkel vertrouwen meer in dat een nieuwe ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden met als doel het opstellen van een borgingsplan richting het vrijwillig kader iets positiefs zal opleveren. Naar het oordeel van de kinderrechter is toewijzing van het verzoek nutteloos en zinloos. Ook de gecertificeerde instelling heeft op zitting aangegeven het nut/meerwaarde van een ondertoezichtstelling niet in te zien, omdat zij dan alleen als doorgeefluik fungeren nu de moeder zich zelf kan aanmelden bij RondomJou.
5.5.
Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026 door
mr. J. Visser, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van den Born als griffier, en op schrift gesteld op 17 februari 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.