ECLI:NL:RBDHA:2026:4282

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
NL25.30628 en NL25.30629
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 15 VerblijfsrichtlijnArt. 30 Verblijfsrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verwijderingsmaatregel wegens geen rechtmatig verblijf op grond van Unierecht afgewezen

Eiser, een Poolse Unieburger die een zwervend bestaan leidt in Nederland en sinds april 2024 geen reële arbeid meer verricht, kreeg een verwijderingsmaatregel opgelegd omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. De minister van Asiel en Migratie stelde dat het belang van de Nederlandse samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser om te blijven.

Eiser voerde aan dat de verwijderingsmaatregel onevenredig belastend is en dat hij onvoldoende is geïnformeerd over hoe hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen, zoals vereist volgens het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de EU. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende heeft geïnformeerd via de Werkinstructie 2023/3, waarin de relevante elementen voor beëindiging van verblijf zijn opgenomen.

De rechtbank erkent dat voor dakloze personen zoals eiser veel elementen uit het arrest F.S. niet van toepassing zijn, maar dat dit niet leidt tot onduidelijkheid over de beëindiging van het verblijf. De toets of het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd, vindt pas plaats na vertrek en eventuele terugkeer, en is casuïstisch van aard. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.30628 en NL25.30629
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Bij besluit van 22 april 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en bepaald dat eiser binnen een maand Nederland dient te verlaten. Bij besluit van 26 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op 17 september 2025 een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Poolse nationaliteit. Eiser is op onbekende datum naar Nederland gekomen. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat eiser een zwervend bestaan leidt in Nederland, vaak in aanraking is gekomen met de politie en buitengewoon opsporingsambtenaren vanwege overlast op straat en sinds 21 april 2024 geen reële en daadwerkelijke arbeid meer verricht in Nederland. Ook is niet gebleken dat eiser eigen middelen van bestaan heeft en/of op zoek is naar werk en daarop een reële kans maakt.
2.1.
Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. [2] Verweerder heeft daarom aan eiser een verwijderingsmaatregel opgelegd. Daarbij heeft verweerder een belangenafweging gemaakt en het belang van eiser om in Nederland te blijven minder zwaar laten wegen dan het belang van de Nederlandse samenleving bij de verwijdering van eiser. Verweerder heeft eiser een vertrektermijn van een maand opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser stelt dat de verwijderingsmaatregel onevenredig belastend is omdat eiser de gevolgen van de verwijderingsmaatregel niet kan begrijpen en overzien. [3] Eiser moet zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief beëindigen om een nieuw verblijfsrecht te krijgen of bij terugkeer naar Nederland een nieuwe vrije termijn te genieten. [4] Verweerder heeft niet uitgelegd op welke manier eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief kan beëindigen en onder welke omstandigheden hij terug kan keren naar Nederland. Hierdoor is het voor eiser niet duidelijk hoe hij kan voldoen aan het besluit. Verweerder heeft een actieve informatieplicht hierover.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser voldoende heeft geïnformeerd over de wijze waarop eiser zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen. Een verwijderingsmaatregel moet op zodanige wijze schriftelijk ter kennis worden gebracht, dat de betrokkene in staat is om de inhoud en de gevolgen hiervan te begrijpen. [5] Verweerder heeft een openbare werkinstructie, te weten WI 2023/3, waarin uiteengezet wordt welke elementen van belang zijn bij het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf. Dit zijn dezelfde elementen die in het arrest F.S. [6] zijn opgenomen, namelijk: de duur van de afwezigheid, een verzoek om schrapping uit het bevolkingsregister, de beëindiging van een huurovereenkomst, uitschrijving bij een dienst om arbeidsbemiddeling of de beëindiging van andere relaties die een zekere integratie van de Unieburger in Nederland veronderstellen.
5.1.
De rechtbank begrijp dat voor dakloze personen zoals eiser veel van de elementen uit het arrest niet van toepassing zijn, maar dit betekent niet dat het voor eiser onduidelijk is hoe hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen. Uit de door eiser aangehaalde uitspraak volgt niet dat de Werkinstructie 2023/3 niet van toepassing is op dakloze mensen, maar enkel dat de rechtbank begrijpt dat voor dakloze personen zoals eiser veel van deze omstandigheden niet van toepassing zijn. [7] Uit het arrest F.S. volgt ook dat rekening moet worden gehouden met aanwijzingen dat de Unieburger tijdens de periode van afwezigheid het centrum van haar persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank zou dan in deze gevallen minder gewicht kunnen toekomen aan het verplaatsen van de belangen van eiser uit Nederland en meer gewicht aan het plaatsen van haar belangen naar het buitenland. Het valt niet uit te sluiten dat iemand zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen door bijvoorbeeld een inschrijving in het bevolkingsregister of het aangaan van een huurovereenkomst in het buitenland.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk voor verweerder om de elementen die in het arrest F.S. genoemd zijn nader te specificeren bij het opleggen van de verwijderingsmaatregel, omdat er geen uitputtende lijst van voorbeelden kan worden gegeven. Een dergelijke verplichting daartoe volgt ook niet uit het arrest F.S. Daarbij komt dat een eventueel nieuw verblijf van eiser in Nederland een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Eiser heeft immers Nederland nog niet verlaten en de toets of zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief is beëindigd, vindt pas plaats wanneer hij eerst Nederland zou verlaten en vervolgens terug zou keren en hier opnieuw zou willen verblijven. Deze toets is casuïstisch van aard en hangt af van de omstandigheden op dat moment.
5.3.
Daarnaast stelt verweerder terecht dat op grond van de Werkinstructie 2023/3 op verweerder geen informatieplicht rust ten aanzien van verblijf van een Unieburger in Nederland. [8] Hieruit volgt dat het aan eiser is om na te gaan of en wanneer hij aan de voorwaarden voor verblijf als Unieburger voldoet. Het bestreden besluit is dan ook voldoende zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond.
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt ook buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [9]
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zoals beschreven in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
3.In strijd met artikel 15 en Pro 30 van de Verblijfsrichtlijn.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 22 juni 2021, C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506 (Arrest F.S.).
5.Op grond van artikel 30, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn.
6.Arrest F.S.
7.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3834., r.o. 6.
8.Zie pagina 39 van de Werkinstructie 2023/3.
9.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.