ECLI:NL:RBDHA:2026:4281

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
NL25.20258 en NL25.20259
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 9 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij weigering verblijfsdocument EU/EER

Eiser, met de Surinaamse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn gestelde moeder te verblijven, vanwege haar medische problematiek. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiser de familierechtelijke relatie en bijzondere afhankelijkheidsverhouding met de referente niet had aangetoond.

De rechtbank constateerde dat eiser Nederland op 31 juli 2024 heeft verlaten en niet is teruggekeerd. Ook de referente is Nederland inmiddels ontvlucht. Hierdoor heeft eiser geen procesbelang meer bij de behandeling van het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag.

De rechtbank verklaarde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Tevens werd het griffierecht niet teruggegeven en werden geen proceskosten toegekend. De rechtbank wees erop dat eiser en referente vrij zijn een nieuwe aanvraag in te dienen indien zij terugkeren naar Nederland.

Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.20258 en NL25.20259
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 28 januari 2026 van de enkelvoudige kamer en uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Wouda).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [1] en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.3.
De rechter heeft het onderzoek gesloten en meteen mondeling uitspraak gedaan.

Overwegingen

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij zijn gestelde moeder, [referente] (referente). Eiser wil bij haar verblijven, omdat hij stelt dat hij vanwege haar medische problematiek voor haar zorgt.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser de familierechtelijke relatie met referente niet heeft aangetoond. Eiser heeft niet aangetoond dat er sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsverhouding tussen hem en referente. Er is geen schending van eisers recht op familie- en privéleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro.
4. Uit de stukken volgt dat eiser op 31 juli 2024 is vertrokken uit Nederland. Gebleken is dat eiser Nederland heeft verlaten. Op zitting heeft eisers gemachtigde toegelicht dat eiser niet meer naar Nederland is teruggekomen. Zoals uit de verklaring van referente van 17 januari 2026, het overgelegde vliegticket en de toelichting op zitting blijkt, heeft referente Nederland ook verlaten. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep. De rechtbank merkt hierbij op dat als eiser en referente terugkomen naar Nederland, zij vrij zijn om een nieuwe aanvraag in te dienen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk.
6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [2] .
7. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier, op 28 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000
2.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.