Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4278

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
C/09/687676 / HA ZA 25-577
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:87 lid 1 BWArt. 6:96 lid 2 onder b BWArt. 6:119 BWArt. 7:759 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aannemer aansprakelijk voor niet en ondeugdelijk verricht verbouwingswerk met schadevergoeding

Partijen sloten op 7 december 2022 een aannemingsovereenkomst voor verbouwingswerkzaamheden aan een woning. De aanneemsom werd vrijwel volledig voldaan, maar het werk werd niet afgemaakt en vertoonde gebreken. Na ingebrekestelling en een deskundigenrapport van ZNEB werd vastgesteld dat diverse werkzaamheden niet of ondeugdelijk waren uitgevoerd, met een schadebedrag van €27.137,07.

De opdrachtgever vorderde schadevergoeding en expertisekosten, terwijl de aannemer een tegenvordering deed voor meerwerk aan het dak. De rechtbank oordeelde dat de aannemer tekortgeschoten is in de nakoming en in verzuim verkeert sinds de ingebrekestelling van 25 april 2025. De vordering tot schadevergoeding werd toegewezen, verminderd met de nog niet betaalde eindtermijn, en de expertisekosten werden eveneens toegewezen.

De vordering van de aannemer tot betaling van meerwerk werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van overeengekomen meerwerk. De rechtbank veroordeelde de aannemer tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. De verklaringen voor recht werden afgewezen wegens gebrek aan belang. Het vonnis werd bij vervroeging uitgesproken op 25 februari 2026.

Uitkomst: De aannemer wordt veroordeeld tot betaling van €23.327,39 schadevergoeding, expertisekosten en proceskosten wegens niet en ondeugdelijk uitgevoerd verbouwingswerk.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/687676 / HA ZA 25-577
Vonnis van 25 februari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[partij A]te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. B. Bijlsma,
tegen
[partij B] B.V.te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. M. de Boorder.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 20 juni 2025, met producties 1 tot en met 5;
  • de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie, met producties 1 tot en met 3.
1.2.
Op 13 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben op 7 december 2022 een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de verbouwing van de door [partij A] in november 2022 gekochte woning. De overeengekomen werkzaamheden zijn in een offerte van november 2022 opgenomen en zagen onder meer op het realiseren van een aanbouw.
2.2.
De overeengekomen aanneemsom van € 76.809,68 is voldaan, op de laatste (vijfde) termijn van € 3.809,68 (incl. btw) na. Naast de vierde termijn van € 8.000,- (incl. btw) – te betalen bij aanvang buitengevel uitbouw – is € 2.000,- extra betaald vanwege meerwerk in de keuken.
2.3.
[partij B] heeft een deel van het werk in 2023 uitgevoerd, waarna het werk stil is komen te liggen.
2.4.
Op 4 juli 2024 heeft [partij A] een ingebrekestelling aan [partij B] gestuurd voor niet uitgevoerde werkzaamheden: herstel van voegwerk, vervanging van houten kozijnen door kunststof kozijnen, vervanging van houten rabatdelen door keralit, vervanging van een defect spotje, herstel van een zaagsnede onder de radiator in de slaapkamer en van een krimpscheur in het stucwerk. [partij A] heeft [partij B] gevraagd om binnen dertig dagen de overeenkomst alsnog na te komen. De aangetekend verzonden ingebrekestelling is geweigerd retour gekomen.
2.5.
[partij A] heeft vervolgens ZNEB Expertise B.V. (hierna: ZNEB) ingeschakeld om gebreken in kaart te brengen en de schade te begroten. [partij B] is per aangetekend verzonden e-mailbericht uitgenodigd om bij de inspectie op 13 december 2024 aanwezig te zijn. [partij B] heeft op deze uitnodiging niet gereageerd.
2.6.
In een door ing. [naam] van ZNEB opgesteld rapport van 8 april 2025 is onder meer vermeld dat sprake is van de volgende gebreken: (a) scheurvorming (anders dan gebruikelijke krimpscheuren), met waterinstroom, omdat geen wapeningsweefsel is aangebracht, (b) kapotte spot, (c) zaagsnede, (d) het stucwerk in de linkerwand van de aanbouw is gebrekkig en (e) de dakbedekking is niet juist aangebracht (waardoor lekkage is ontstaan). Verder is vermeld dat de volgende werkzaamheden nog niet zijn uitgevoerd: (f) de gevelrenovatie (voegwerk), (g) het vervangen van houten kozijnen door kunststof kozijnen (met hoeklijnen), (h) het vervangen van houten rabatdelen door keralit, werkzaamheden ter voorbereiding van het zonnescherm, (i) vervanging van dakbedekking (dakbedekking is over de oude dakbedekking heen gelegd).
De omvang van de schade is in dit rapport begroot op € 27.137,07 (inclusief btw). Dit bedrag ziet op € 4.579,- voor herstel van gebreken a t/m e (scheurvorming: € 1.414,-, spot:
€ 431,-, zaagsnede: € 214,50, stucwerk: € 249,50,-, loodslabbe dakbedekking: € 2.270,-) en
€ 22.558,07 voor niet uitgevoerde werkzaamheden (f t/m i).
2.7.
Op 25 april 2025 heeft mr. Bijlsma namens [partij A] [partij B] in gebreke gesteld voor de door ZNEB genoemde gebreken en een omzettingsverklaring uitgebracht. [partij A] maakt aanspraak op het door ZNEB begrote bedrag aan schadevergoeding. Dit stuk is bij deurwaardersexploot op het juiste (BRP-)adres van [partij B] uitgebracht.
2.8.
Nadat ook hierop niet door [partij B] is gereageerd, heeft [partij A] een dagvaarding laten uitbrengen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A] vordert - samengevat - dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat [partij B] toerekenbaar is tekortgeschoten, in verzuim verkeert en jegens hem aansprakelijk is voor alle daardoor veroorzaakte schade én de verbintenis tot herstel van de gebreken is omgezet in een vordering tot schadevergoeding. Daarnaast vordert [partij A] veroordeling van [partij B] tot betaling van € 27.137,07 aan schadevergoeding, € 2.522,86 wegens expertisekosten, € 1.750,- aan rente, € 829,84 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[partij A] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [partij B] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en sinds 4 juli 2024 in verzuim verkeert. De verbintenis tot nakoming is op grond van artikel 6:87 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) omgezet in een vordering tot schadevergoeding. De schade bestaat uit de kosten van het niet uitgevoerde werk en herstel van € 27.137,07.
3.3.
[partij B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.5.
[partij B] vordert, onder de voorwaarde dat niet eenvoudig is vast te stellen wat de kosten van het meerwerk bedragen die van de conventionele vordering afgetrokken moeten worden, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [partij A] veroordeelt tot betaling van € 3.586,99.
3.6.
[partij B] legt aan de vordering ten grondslag dat zij meerwerk (wat betreft werkzaamheden aan het dak) heeft geleverd en [partij A] de kosten daarvan niet in zijn vordering heeft verdisconteerd.
3.7.
[partij A] heeft de vordering betwist.
3.8.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie
4.1.
De vordering van [partij A] houdt in dat [partij B] wordt veroordeeld tot betaling van
€ 27.137,07. Aan deze vordering ligt ten grondslag dat het werk gebreken bevat en nog niet af is, hetgeen een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst oplevert. [partij A] heeft de vordering tot herstel van de gebreken omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding ex artikel 6:87 BW Pro.
4.2.
[partij A] heeft zijn standpunt dat het werk gebreken vertoont onderbouwd met het rapport van ZNEB van 8 april 2025, waarin de onder 2.6 genoemde gebreken zijn vermeld. De gebreken betreffen werk dat niet of niet goed is uitgevoerd. De in het rapport begrote schadebedragen zijn gebaseerd op de onder 2.1 bedoelde offerte van [partij B] en daarmee dus op de bedragen die [partij A] reeds aan [partij B] voor het werk heeft betaald (op de slottermijn van € 3.809,68 na).
4.3.
[partij B] heeft erkend dat een deel van het werk niet is uitgevoerd. Vaststaat in ieder geval dat dit het voegwerk (gevelrenovatie), vervanging van houten kozijnen door kunststof kozijnen en vervanging van houten rabatdelen door keralit betreft (posten f, g en h, genoemd onder 2.6). In de conclusie van antwoord betwist [partij B] van de onder 2.6 genoemde gebreken uitsluitend de posten die zijn genoemd onder de punten 11, 25 en 33 op pagina 14 van het rapport van ZNEB. Die verweren slagen niet. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
Punt 11 maatvoering
4.4.
In de offerte van [partij B] van november 2022 is onder 11 (‘uitzetten maatvoering’) een post opgenomen van € 385,74 voor ‘Constructeur tbv verwijderen achtergevel in achterzijde bestaande woning / incl rapport’. [partij B] betwist die post en stelt dat de achtergevel is verwijderd. Dit verweer slaagt niet. Het in de offerte van [partij B] opgenomen bedrag ziet volgens de toelichting van ZNEB namelijk op aanwezigheid van een constructieve berekening. [partij A] heeft € 385,74 betaald voor een constructieve berekening waarvan gesteld noch gebleken is dat die gemaakt is alvorens de achtergevel is gesloopt. De vordering die ziet op dit bedrag is dan ook toewijsbaar.
Punt 25 staalwerken/staalconstructie
4.5.
ZNEB heeft geconstateerd dat de in de offerte van [partij B] opgenomen L-lijnen die zouden worden aangebracht in het bestaande metselwerk ontbreken. Dit is niet betwist. Van de in de offerte van [partij B] opgenomen post staalwerken van € 3.595,29, moeten de vier posten die hierop ziet – totaal € 1.176,11 – aan [partij A] worden terugbetaald.
Punt 33 vervanging dak schuur
4.6.
In de offerte van [partij B] is een bedrag van € 4.628,36 voor dakbedekking opgenomen. Dat bedrag is opgebouwd uit verschillende posten, waaronder dakbedekking, plakstuk HWA, randafwerking, dakrand/aluminium afdekkap en dak vervangen schuur. Met de post ‘dak vervangen schuur’ is een bedrag van € 1.983,78 gemoeid. Vaststaat dat het dak van de schuur (van [partij A] en zijn buren) niet is vervangen, maar dat er dakbedekking overheen is geplakt. ZNEB heeft opgemerkt dat dit betekent dat sloop- en afvoerwerk niet is uitgevoerd, zodat 40% van deze post aan [partij A] moet worden terugbetaald. Dat komt neer op een bedrag van € 793,51. De rechtbank acht dit bedrag als onvoldoende weersproken toewijsbaar.
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] voldoende gemotiveerd en gedocumenteerd dat het werk de onder 2.6 bedoelde gebreken bevat. De rechtbank acht ZNEB ook deskundig om het resultaat en de kwaliteit van de uitgevoerde
(ver-)bouwwerkzaamheden te beoordelen. ZNEB heeft haar onderzoek uitgevoerd op basis van de onder 2.1 bedoelde offerte van november 2022. Ook heeft inspectie van de woning plaatsgevonden. ZNEB heeft het onderzoek naar behoren uitgevoerd en haar bevindingen neergelegd in een gedegen rapport. Dat [partij B] niet bij de inspectie aanwezig is geweest, doet niet af aan de bruikbaarheid van het rapport. Zij is hiervoor uitgenodigd per aangetekend verzonden e-mailbericht en heeft daarop niet gereageerd. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank [partij A] in zijn standpunt dat het werk de door ZNEB geconstateerde gebreken bevat.
4.8.
Op grond van artikel 7:759 lid 1 BW Pro is de opdrachtgever verplicht de aannemer de gelegenheid te geven tot herstel van de na oplevering gebleken gebreken waarvoor de aannemer aansprakelijk is, tenzij zulks in verband met de omstandigheden niet van hem kan worden gevergd. In dit geval kan niet worden vastgesteld dat de ingebrekestelling van
4 juli 2024 [partij B] heeft bereikt. [partij B] heeft de ontvangst betwist en heeft ter zitting gesteld op enig moment te zijn verhuisd. Dat de brief naar het juiste adres is verzonden, is door [partij A] niet met stukken aangetoond. Van de op 25 april 2025 uitgebrachte ingebrekestelling, tevens omzettingsverklaring, staat daarentegen vast dat die bij deurwaardersexploot aan het juiste (BRP)adres van [partij B] is uitgebracht. Deze ingebrekestelling ziet op alle door ZNEB geconstateerde gebreken. Zoals ter zitting is besproken, is de vraag of [partij B] voldoende de gelegenheid heeft gekregen tot herstel van de in die brief genoemde gebreken. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
4.9.
Ter zitting heeft [partij B] verklaard [partij A] na voltooiing van een deel van het werk te hebben laten weten dat hij beter een andere partij kon zoeken om het werk af te maken en dat dan een deel van de aanneemsom zou worden terugbetaald. Dat laatste is niet gebeurd. [partij B] heeft niet gereageerd op de per aangetekende e-mail aan haar verzonden uitnodiging van ZNEB. Evenmin heeft zij gereageerd op de onder 2.7 bedoelde ingebrekestelling, waarvan vaststaat dat die bij deurwaardersexploot op het juiste adres van [partij B] is uitgebracht. [partij B] heeft de zaken dus op zijn beloop gelaten. Aldus is [partij B] in verzuim gekomen (artikel 6:82 BW Pro). Onder die omstandigheden kon van [partij A] niet worden gevergd dat hij [partij B] eerst de gelegenheid zou bieden tot herstel alvorens een omzettingsverklaring uit te brengen. [partij A] mocht de verbintenis tot nakoming omzetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding (artikel 6:87 lid 1 BW Pro). Dit heeft Koster op de juiste wijze gedaan bij brief van 25 april 2025.
4.10.
Vastgesteld kan worden dat, doordat het werk voornoemde gebreken bevat, [partij B] tekortgeschoten is in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. [partij B] verkeert sinds de ingebrekestelling van 25 april 2025 in verzuim, wat een vereiste is voor het omzetten van een verbintenis in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, wanneer, zoals hier, nakoming niet blijvend onmogelijk is. Voorts dient de schade aan dit tekortschieten van [partij B] te worden toegerekend. Van eigen schuld van [partij A] is niet gebleken. Het vereiste causaal verband is dus aanwezig. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor nadere bewijslevering.
Conclusie ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding
4.11.
De schade als gevolg van de gebreken kan naar het oordeel van de rechtbank worden begroot op het door ZNEB genoemde bedrag van € 27.137,07. Zoals hiervoor is vermeld, is die begroting van ZNEB immers gebaseerd op de door [partij B] geoffreerde en door [partij A] reeds betaalde bedragen. De vordering tot betaling van dit bedrag wordt toegewezen, te verminderen met de nog niet betaalde eindtermijn van € 3.809,68. De vervangende schadevergoeding ziet op werk dat niet goed of niet is uitgevoerd. De daarmee gemoeide bedragen dienen aan [partij A] te worden (terug)betaald, waarbij als uitgangspunt geldt dat de volledige aanneemsom is betaald.
4.12.
Het toe te wijzen bedrag komt daarmee op € 23.327,39. Omdat [partij B] in verzuim is met betaling van dit bedrag is zij tevens wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke rente zal worden toegewezen als onder de beslissing vermeld.
Expertisekosten
4.13.
[partij A] maakt aanspraak op expertisekosten van € 2.522,86 en heeft die kosten onderbouwd met de factuur van ZNEB. [partij B] heeft op zichzelf niet bestreden dat [partij A] die kosten heeft gemaakt voor het vaststellen van schade en aansprakelijkheid van [partij B] . Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW komt het gevorderde bedrag dan ook voor vergoeding in aanmerking. Deze vordering wordt dus toegewezen.
Rentelasten
4.14.
[partij A] stelt dat sprake is van gevolgschade omdat het bouwdepot is belast met werkzaamheden waar geen betalingen tegenover zijn gesteld. Hierdoor is rente gederfd. Het door [partij A] gevorderde bedrag aan rente van € 1.750,- is, ook na betwisting, op geen enkele wijze onderbouwd en gespecificeerd. Dit bedrag komt niet voor toewijzing in aanmerking.
Buitengerechtelijke kosten
4.15.
[partij A] vordert betaling van buitengerechtelijke kosten van € 829,84. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij buitengerechtelijk brieven en e-mails heeft moeten sturen door zijn advocaat. Niet gebleken is dat [partij A] kosten van juridische bijstand heeft gemaakt waarvoor de regels inzake proceskosten (artikel 237 tot Pro en met 241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) niet een vergoeding insluiten. [partij A] heeft onvoldoende concreet onderbouwd dat dit anders is. Deze vordering komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
Verklaringen voor recht
4.16.
Nu een concreet bedrag aan schadevergoeding is toegewezen heeft [partij A] bij toewijzing van de gevraagde verklaringen voor recht onvoldoende belang (artikel 3:303 BW Pro), zodat deze vorderingen zullen worden afgewezen.
In (voorwaardelijke) reconventie
4.17.
[partij B] heeft in reconventie betaling gevorderd van een factuur van € 3.587,- wegens meerwerk voor dakwerkzaamheden, voor het geval die factuur wordt betwist en de betalingsverplichting niet eenvoudig kan worden vastgesteld. Dit betreft een niet eerder verzonden factuur. De rechtbank zal deze vordering afwijzen, omdat niet is gesteld en komen vast te staan dat meerwerk tussen partijen is overeengekomen. Bovendien is ook uit de toelichting ter zitting niet gebleken dat daadwerkelijk sprake was van verricht meerwerk. Partijen hebben verklaard dat de gemaakte afspraak om het dak van het schuurtje van [partij A] en dat van de buren van [partij A] te vervangen is gewijzigd in het overplakken van de dakbedekking. Volgens [partij A] zou dit juist tot een kostenbesparing moeten leiden. Dat standpunt is ook ondersteund door ZNEB. [partij B] heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist.
Proceskosten
4.18.
[partij B] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De proceskosten in conventie bedragen:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × tarief III van € 836,00)
- nakosten
148,00
Totaal
3.342,04
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.20.
De proceskosten in reconventie bedragen:
- salaris advocaat
277,00
(0,5 punt × tarief I van € 554,00)
- nakosten
148,00
Totaal
425,00

5.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
5.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 23.327,39 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 april 2025 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 2.522,86 aan expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 juni 2025 tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 3.342,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.7.
wijst de vorderingen van [partij B] af;
5.8.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 425,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.9.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. de Keuning en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
3425