Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, kreeg op 16 februari 2026 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd vanwege meerdere zware en lichte gronden, waaronder het niet naleven van vreemdelingenwetgeving en het ontbreken van een vaste verblijfplaats.
Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit niet kan worden opgelegd bij een blijvend uitzettingsbeletsel op grond van artikel 4 van Pro het Handvest en verwees naar het arrest AA. Tevens stelde hij dat het non-refoulementbeginsel en artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn niet waren nageleefd en dat het belang van het kind en het gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro in acht moesten worden genomen.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen concrete feiten had aangevoerd die een reëel risico op schending van artikel 4 Handvest Pro of artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Irak aannemelijk maakten. Het belang van het kind en het gezinsleven werd niet geschaad omdat eiser naar zijn gezin in Irak wenst terug te keren en er geen minderjarige kinderen in Nederland verblijven.
Daarom was het terugkeerbesluit terecht en kon de vertrektermijn worden onthouden, wat het opleggen van het inreisverbod rechtvaardigde. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.