ECLI:NL:RBDHA:2026:4276

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
NL26.9969
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 66a VwArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArtikel 5 Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod wegens niet-rechtmatig verblijf en non-refoulement toetsing

Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, kreeg op 16 februari 2026 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd vanwege meerdere zware en lichte gronden, waaronder het niet naleven van vreemdelingenwetgeving en het ontbreken van een vaste verblijfplaats.

Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit niet kan worden opgelegd bij een blijvend uitzettingsbeletsel op grond van artikel 4 van Pro het Handvest en verwees naar het arrest AA. Tevens stelde hij dat het non-refoulementbeginsel en artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn niet waren nageleefd en dat het belang van het kind en het gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro in acht moesten worden genomen.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen concrete feiten had aangevoerd die een reëel risico op schending van artikel 4 Handvest Pro of artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Irak aannemelijk maakten. Het belang van het kind en het gezinsleven werd niet geschaad omdat eiser naar zijn gezin in Irak wenst terug te keren en er geen minderjarige kinderen in Nederland verblijven.

Daarom was het terugkeerbesluit terecht en kon de vertrektermijn worden onthouden, wat het opleggen van het inreisverbod rechtvaardigde. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9969

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. [1]

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1979 en de Iraakse nationaliteit te hebben.
2. Bij het bestreden besluit is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft overwogen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
- 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4c. geen vaste woon-of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartegen aan dat geen terugkeerbesluit en inreisverbod kan worden opgelegd wanneer sprake is van een blijvend uitzettingsbeletsel op grond van artikel 4 van Pro het Handvest. [4] Hij verwijst naar het arrest AA van het Hof [5] van 6 juli 2023. [6] Daarnaast verzoekt eiser een ambtshalve toetsing aan het beginsel van non-refoulement en stelt dat verweerder niet heeft voldaan aan artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn. [7] Tot slot moet worden beoordeeld of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich tegen verwijdering verzetten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit geen rechtmatig verblijf had. Verweerder was daarom gehouden om aan eiser een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen niet heeft betwist. Reeds hieruit blijkt dat sprake is van een risico op onttrekking. Verweerder heeft daarom een vertrektermijn voor vrijwillig vertrek kunnen onthouden.
5. Uit het arrest AA volgt dat artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen het uitvaardigen van een terugkeerbesluit indien vaststaat dat verwijdering naar het land van herkomst wegens het non-refoulementbeginsel duurzaam niet mogelijk blijkt. Van een dergelijke situatie is de rechtbank echter niet gebleken. Eiser heeft namelijk geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. [8] Uit het gehoor voorafgaand aan het bestreden besluit blijkt bovendien dat eiser heeft verklaard dat hij, indien hij niet in Nederland mag blijven, wil terugkeren naar zijn echtgenote en kinderen in Irak. Niet is gebleken dat verwijdering niet mogelijk is wegens het non-refoulementbeginsel. Het arrest AA staat daarom niet aan het uitvaardigen van het terugkeerbesluit in de weg.
6. Voor zover eiser zich beroept op het belang van het kind en artikel 8 van Pro het EVRM, geldt het volgende. Eiser heeft verklaard dat zijn echtgenote en kinderen in Irak verblijven en dat hij naar hen wenst terug te keren. Het terugkeerbesluit strekt ertoe dat eiser zich bij zijn gezin in het land van herkomst kan voegen. Van inmenging in gezinsleven in Nederland is daarom geen sprake. Ook is niet gebleken van in Nederland verblijvende minderjarige kinderen die door het besluit worden geraakt. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en daarbij kunnen afzien van een vertrektermijn. Uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw volgt dat een inreisverbod wordt opgelegd als een vertrektermijn is onthouden. Niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan verweerder van het opleggen van een inreisverbod had moeten afzien. Verweerder heeft daarom aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar kunnen opleggen.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en inreisverbod opgelegd.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 4 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroepEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie.
6.ECLI:EU:C:2023:5400.
7.Richtlijn 2008/115/EG.
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.