ECLI:NL:RBDHA:2026:4268

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
NL25.45935 en NL25.45936
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen wegens onvoldoende aannemelijkheid vervolging in Colombia en afwijzing verblijfsvergunning

Eisers, met de dubbele nationaliteit Venezuela en Colombia, vroegen asiel aan vanwege vermeende bedreigingen door de ELN en vervolging in Venezuela en Colombia. De minister wees de aanvragen af omdat zij onvoldoende aannemelijk maakten dat zij in Colombia een reëel risico op vervolging of ernstige schade liepen. De rechtbank behandelde de beroepen en oordeelde dat de identiteit en nationaliteit van eisers geloofwaardig zijn, maar dat de gestelde persoonlijke problemen in Colombia niet voldoende onderbouwd zijn.

De rechtbank overwoog dat het geweldsniveau in de regio waar eisers verbleven relatief laag is en dat eisers niet aannemelijk maakten dat zij ondanks dit lagere geweldsniveau een reëel risico lopen. Ook werd geoordeeld dat eisers onvoldoende bewijs leverden dat zij bescherming van de Colombiaanse autoriteiten niet kunnen krijgen. Daarnaast werd discriminatie niet als vervolging gekwalificeerd. De rechtbank verwierp ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het verzoek om uitstel van vertrek wegens medische redenen.

De rechtbank verklaarde de beroepen ontvankelijk ondanks een te late indiening van de gronden, maar wees deze ongegrond toe. Eisers kregen geen verblijfsvergunning regulier, geen uitstel van vertrek en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter E.J. Govaers op 3 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvragen en het ontbreken van verblijfsvergunning en uitstel van vertrek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.45935 en NL25.45936

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer 1]
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer 2]
En de minderjarige zoon van eiseres:
[minderjarige] ,
V-nummer: [V-nummer 3]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.E. Sojo).

Procesverloop

Bij de bestreden besluiten van 16 september 2025 heeft verweerder de asielaanvragen van eisers in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 februari 2026 op zitting in Breda behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
1. Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 1981. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag 2] 2008. De minderjarige zoon van eiseres, tevens de broer van eiser, is geboren op [geboortedag 3] 2019. Zij hebben allen de Venezolaanse en de Colombiaanse nationaliteit.
2. Eisers leggen aan hun asielaanvraag ten grondslag dat zij in augustus 2021 zijn vertrokken uit Venezuela naar Colombia, vanwege problemen met de gewapende groepering ELN. [1] De groepering wilde de boerderij van eiseres in Venezuela hebben die vlak bij de Colombiaanse grens lag. Daarnaast hebben zij geprobeerd eiser en de minderjarige zoon van eiseres te ontvoeren. Eiseres stelt verder dat zij in Venezuela door de regering in de gaten werd gehouden omdat zij een Venezolaans opposant is. Ook Colombia is voor hen niet veilig om naar terug te keren. De ELN is ook in dat land actief en eiseres werd ook in Colombia gevolgd door de regering.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers afgewezen als ongegrond. [2] Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. De problemen van eisers in Venezuela heeft verweerder niet beoordeeld omdat zij ook de Colombiaanse nationaliteit bezitten. [3] Niet gebleken is dat eisers in Colombia een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade hebben. Volgens actuele landeninformatie geldt in de regio [4] in Colombia waar eisers woonden een relatief laag niveau van geweld. Dat betekent dat het individualiseringsvereiste zwaar weegt. Eisers hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van specifieke persoonlijke omstandigheden die maken dat zij, ondanks dit lagere geweldsniveau, toch een reëel risico lopen op vervolging of ernstige schade in Colombia. Dat de gestelde problemen van eisers ook in Colombia speelden, hebben zij niet onderbouwd en blijkt ook niet uit hun verklaringen. Verder neemt verweerder aan dat bij voorkomende problemen het mogelijk is om bescherming te verkrijgen van de Colombiaanse autoriteiten. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat in hun geval bescherming niet mogelijk zou zijn. Eiser komt tot slot niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [5] en ook krijgt hij geen uitstel van vertrek om medische redenen. [6]
De gronden van beroep
4. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte hun asielaanvraag heeft afgewezen als ongegrond. Zij hebben wel degelijk persoonlijke problemen gehad in Colombia. Dit blijkt ook uit de dreigberichten die zij hebben ontvangen. Daarnaast is in Colombia sprake van xenofobie en discriminatie tegen Venezolanen en het risico van gedwongen rekrutering. Jongeren uit Venezuela lopen extra risico op rekrutering door een gewapende groepering. Eiser voert in zijn beroep daarnaast aan dat verweerder ten onrechte niet uitgaat van de geboortedatum in zijn Venezolaanse paspoort, namelijk 23 november 2008. Daarnaast had verweerder aan eiser uitstel van vertrek moeten verlenen of een verblijfsvergunning regulier. Uitzetting van eiser is namelijk in strijd met het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser is namelijk volledig ingeburgerd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Ontvankelijkheid beroep
5. De rechtbank beoordeelt eerst (ambtshalve) de ontvankelijkheid van het beroep. Een beroep wordt alleen inhoudelijk behandeld als de gronden van beroep tijdig kenbaar zijn gemaakt. [7] De gemachtigde heeft namens eisers op 22 september 2025 tijdig de beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten. De beroepschriften bevatte echter geen gronden. Daarom heeft de rechtbank op 23 september 2025 via berichten in het digitale dossier aan gemachtigde verzocht om binnen vijf werkdagen na de dag van verzending van dat bericht alsnog de gronden van beroep in te dienen. Daarbij is meegedeeld dat de beroepen niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard indien de gronden niet binnen die termijn worden ingediend. Dat betekent dat de gronden van beroep uiterlijk 30 september 2025 moeten worden ingediend. De rechtbank heeft in beide beroepen op 1 oktober 2025 de gronden van beroep ontvangen. Na toelichting van de gemachtigde is gebleken dat de gronden van beroep verschoonbaar te laat zijn ingediend. De gemachtigde heeft namelijk een schermafbeelding overgelegd van het bericht dat hij in het advocatenportaal van de rechtbank heeft ontvangen voor het herstellen van het verzuim. In de onderwerpregel van dat bericht staat:
“De vervaldatum voor het herstellen van het verzuim is woensdag 1 oktober 2025”. De gemachtigde van eiser mocht daarom uitgaan van deze door de rechtbank vermelde termijn. Het beroep is daarom ontvankelijk.
Vrees Colombia
6. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Colombia gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade. Uit de verklaringen van eisers volgt niet dat zij in Venezuela persoonlijke problemen hebben ondervonden. Door eisers is geen concrete informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk in Colombia zouden zijn bedreigd door Venezolaanse actoren. Verweerder heeft er verder op kunnen wijzen dat eiseres zich sinds 2017 niet meer publiekelijk bezig hield met de oppositiepartij in Venezuela. Over het Memorandum van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Directoraat inlichtingendienst van 1 december 2025 dat eisers hebben overgelegd heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat dit een algemeen bericht is. Hieruit blijkt niet dat eisers actief vervolgd worden in Colombia door de Venezolaanse autoriteiten. Met het overleggen van het ongedateerde bericht en het dreigbericht van 1 september 2025 van de ELN hebben eisers evenmin aannemelijk gemaakt dat zij in Colombia nog te vrezen hebben voor de ELN. Verweerder heeft er in dat verband op kunnen wijzen dat eiseres heeft verklaard dat zij de boerderij heeft verkocht en daarmee heeft voldaan aan de gestelde eis van de groepering.
Verweerder heeft verder betekenis mogen toekennen aan de verklaring van eisers dat de berichten zijn verstuurd aan de oma van eiseres en niet aan eiseres zelf. Daarnaast is opvallend dat eiseres pas in 2025 een dergelijk bericht zou hebben ontvangen terwijl zij al in augustus 2021 Venezuela hebben verlaten en in november 2023 Colombia. Eisers hebben derhalve niet aannemelijk gemaakt dat, na langdurig verblijf in Colombia, zonder concrete incidenten, alsnog sprake zou zijn van specifiek op hen gerichte bedreiging.
Verder neemt verweerder aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in onder meer het [departement] , waar eisers verbleven. [8] Het is dan ook aan eisers om aannemelijk te maken dat zij ondanks dit lager geweldsniveau toch een reëel risico lopen op ernstige schade. Eisers hebben hun stelling dat zij als Venezolanen een verhoogd risico lopen op geweld in Colombia niet onderbouwd. Zij hebben bovendien twee jaar in Medellín verbleven zonder slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder mag verder van eisers verwachten dat in zij zich in geval van voorkomende problemen wenden tot de Colombiaanse autoriteiten. Eisers stelling dat de Colombiaanse autoriteiten zouden samenwerken met de Venezolaanse autoriteiten hebben zij evenmin onderbouwd.
Discriminatie
7. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat zij in Colombia worden gediscrimineerd vanwege hun Venezolaanse afkomstig is niet gebleken dat deze de ernst bereikt heeft die nodig is om discriminatie als vervolging of ernstige schade te kwalificeren. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eisers hebben gewerkt of naar school zijn gegaan in Colombia en dat zij in hun levensonderhoud hebben kunnen voorzien. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij maatschappelijk of sociaal niet hebben kunnen functioneren of dat bij terugkeer naar Colombia zich een dergelijke situatie zal voordoen.
Conclusie afwijzing asielaanvraag
8. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser inhoudelijk beoordeeld en terecht de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beantwoording van beroepsgrond van eiser over vaststelling van de juiste geboortedatum. [9] De conclusie hierover kan namelijk niet leiden tot een ander oordeel over de afwijzing van eisers asielaanvraag.
Verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uitzetting van eiser naar Colombia niet in strijd is met zijn recht om privéleven uit te oefenen in Nederland op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft in het voordeel van eiser gewogen dat hij de Nederlandse taal spreekt, sociale contacten en familie heeft in Nederland en dat hij hier een opleiding volgt. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat deze omstandigheden niet betekenen dat eiser daardoor aan Nederland gebonden is. Eiser heeft immers ook twee jaar in Colombia gewoond en uit eisers verklaringen volgt dat ook zijn oma in Colombia woont. Eiser kan bovendien in Colombia ook een opleiding volgen en op andere wijze contact houden met zijn vrienden in Nederland. Verweerder heeft gelet hierop het belang van Nederland om een restrictief toelatingsbeleid te voeren zwaarder mogen wegen dan eisers persoonlijke belang.
10. Op de dag van de zitting heeft eiser nog een verklaring overgelegd van zijn gestelde Italiaanse vriendin in Nederland en een kopie van haar paspoort. Verweerder heeft terecht geen familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiser en zijn gestelde vriendin aangenomen. In dat verband is van belang dat eiser enkel een verklaring heeft overgelegd om de gestelde relatie te onderbouwen, terwijl zij stellen dat zij al anderhalf jaar een relatie hebben. Ook is gebleken dat zij niet samenwonen. Eiser heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Omdat verweerder geen familieleven aanneemt hoeft verweerder geen belangenafweging te verrichten. [10]
Uitstel van vertrek
11. Verweerder heeft verder terecht aan eiser geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn verzoek een brief van RMA healthcare overgelegd van 13 maart 2025 waaruit volgt dat een aanvraag voor de vergoeding van hulpmiddelen (scleralenzen met visuscorrigerende werking) is goedgekeurd en een brief van het Jeroen Bosch Ziekenhuis van 18 februari 2025 waarin vermeld is dat eiser een afspraak had op 18 maart 2025 op de polikliniek Oogheelkunde. Verweerder overweegt terecht dat hij zijn verzoek niet heeft gestaafd met voldoende bewijsmiddelen als bedoel in A3/7.2.4 van de Vc. [11] Niet gebleken is namelijk dat eiser op dit moment onder behandeling staat.

Conclusie en gevolgen

12. Verweerder heeft de asielaanvragen terecht afgewezen als ongegrond en terecht aan eisers geen verblijfsvergunning regulier verleend of uitstel van vertrek. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is op 3 maart 2026 gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Ejército de Liberación Nacional (het Colombiaanse bevrijdingsleger).
2.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Op grond van artikel 31, vierde lid, onder e, van de Vw.
4.Departement [departement] , plaats Medellin.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
6.Op grond van artikel 64, van de Vw.
7.Zie artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 6:6 van Pro de Awb.
8.Zie de WBV 2025/5 van 10 februari 2025.
9.Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AL3294.
10.Zie de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187 en ECLI:NL:RVS:2024:1188.
11.Vreemdelingencirculaire 2000.