ECLI:NL:RBDHA:2026:4264

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/779
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:74 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht 2026
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en herroeping van afwijzing exploitatie- en horecavergunningen door gemeente

Eiseres, Bollywood-Events B.V., heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvragen voor een exploitatievergunning, drank- en horecavergunning en vergunning voor kansspelautomaten door de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het primaire besluit van 15 juli 2024 en het bestreden besluit van 27 december 2024 wezen deze aanvragen af.

Na een hoorzitting en een verzoek tot aanhouding door verweerder, erkende deze dat het bestreden besluit ondeugdelijk was en dat het primaire besluit geen stand kon houden. Verweerder stelde voor het beroep gegrond te verklaren en een termijn van 12 weken te gunnen voor een nieuw besluit.

De rechtbank verklaarde het beroep en bezwaar gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Verweerder werd opgedragen binnen uiterlijk 29 mei 2026 een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep en bezwaar van eiseres worden gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen, met een opdracht aan verweerder om binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/779

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

Bollywood-Events B.V., statutaire zetel te Zoetermeer, hierna: eiseres

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en

de burgemeester van de gemeente Leidschendam-Voorburg, hierna: verweerder(gemachtigde:[gemachtigde]).

Procesverloop

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvragen voor een exploitatievergunning, een drank- en horecavergunning en een vergunning voor aanwezigheid van kansspelautomaten.
1.1
Verweerder heeft deze aanvragen met het primaire besluit van 15 juli 2024 afgewezen.
1.2
Na het houden van een hoorzitting op 21 november 2024 is verweerder met het besluit van 27 december 2024 (bestreden besluit) bij de eerdere afwijzing van deze aanvragen gebleven.
1.3
Namens eiseres is bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4
Bij brief van 6 november 2025 heeft verweerder verzocht om aanhouding van de geplande behandeling van het beroep op de zitting van 14 november 2025, zodat opnieuw op het bezwaar beslist kan worden.
1.5
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep vervolgens tot en met
12 december 2025 aangehouden.
1.6
Bij brief van 16 december 2025 heeft verweerder medegedeeld dat het niet mogelijk is om de geconstateerde gebreken in de bezwaarprocedure te herstellen en dat ook het primaire besluit geen stand kan houden. Verweerder zal een nieuw onderzoek uitvoeren en heeft de rechtbank verzocht het beroep gegrond te verklaren en een termijn van 12 weken te gunnen voor het nemen van een nieuw besluit op de aanvraag.
1.7
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank het onderzoek op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat verweerder expliciet erkend heeft dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en niet in stand kan blijven, ziet de rechtbank aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.
3. Er bestaat daarom aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank stelt dit bedrag, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2026, vast op € 934,- (1 punt voor het beroepschrift, met een waarde van € 934,- per punt, wegingsfactor 1) vanwege door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag dient betaald te worden aan eiseres.
4. Verweerder dient op grond van artikel 8:74, eerste lid van de Awb ook het griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden.
5. Omdat verweerder in het schrijven van 16 december 2025 heeft medegedeeld dat het primaire besluit geen stand kan houden, ziet de rechtbank ook aanleiding om het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen.
6. Er bestaat voor de behandeling van het bezwaar ook aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank stelt dit bedrag, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2026, vast op € 1.322,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, waarde € 666,- per punt, wegingsfactor 1), omdat eiseres ook in de bezwaarfase werd bijgestaan door een gemachtigde. Ook dit bedrag dient betaald te worden aan eiseres.
7. De rechtbank zal verweerder op grond van artikel 8:72, vierde lid van de Awb opdragen om opnieuw op de aanvraag van eiseres te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Omdat de door verweerder voorgestelde termijn van 12 weken de rechtbank niet onredelijk voorkomt, krijgt verweerder tot en met uiterlijk 29 mei 2026 om een nieuw besluit op de aanvraag van eiseres te nemen.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar gegrond;
- herroept het primaire besluit;
- draagt verweerder op om uiterlijk 29 mei 2026 een nieuw besluit op de aanvraag van eiseres te nemen;
- veroordeelt verweerder, voor de bezwaarfase, in de proceskosten voor een bedrag van
€ 1.322,- te betalen aan eiseres;
- veroordeelt verweerder, voor de beroepsfase, in de proceskosten voor een bedrag van
€ 934,- te betalen aan eiseres;
- gelast verweerder het griffierecht van € 385,- te vergoeden aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak staat hierboven vermeld met een stempel.