ECLI:NL:RBDHA:2026:4253

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
AWB 23/2549
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden bij aanvraag verblijfsvergunning

Eiser diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen. Eiser maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in tegen het besluit tot niet-ontvankelijkheid van zijn bezwaar.

De rechtbank beoordeelde het beroepschrift en constateerde dat het geen gronden bevatte, hetgeen vereist is op grond van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank gaf eiser de mogelijkheid om binnen vier weken alsnog de gronden in te dienen, maar eiser reageerde niet op deze herstelverzuimbrief.

Omdat eiser geen verschoonbare redenen voor het niet indienen van de gronden had aangevoerd, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 Awb Pro. Hierdoor werd het bestreden besluit in stand gelaten en vond geen inhoudelijke beoordeling van het beroep plaats. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 23/2549

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2022 heeft verweerder eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning niet in behandeling genomen.
Eiser heeft hiertegen op 16 november 2022 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. [2]

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het beroepschrift tenminste de gronden van het beroep. Dat zijn de specifieke punten waarop degene die beroep instelt het niet eens is met het bestreden besluit.
2. Als er geen gronden worden ingediend, kan de rechtbank op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat houdt in dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld. De rechtbank moet dan wel eerst een mogelijkheid tot herstel bieden.
3. Het beroepschrift van eiser bevat geen gronden. Daarom heeft de rechtbank eiser op 16 maart 2023 een herstel-verzuimbrief verstuurd met het verzoek de gronden van het beroep binnen vier weken in te dienen. Hierbij is medegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de gronden niet binnen die termijn alsnog worden ingediend. Hier heeft eiser niet op gereageerd. Gesteld noch gebleken is dat in het geval van eiser sprake is van verschoonbare redenen voor de termijnoverschrijding.
4. De rechtbank zal het beroep daarom met toepassing van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 2 maart 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.