ECLI:NL:RBDHA:2026:4252

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
AWB 23/2550
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning

Verzoeker diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen. Hiertegen werd bezwaar gemaakt, dat vervolgens niet-ontvankelijk werd verklaard door de minister. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek zonder zitting en verwees naar een gelijktijdige uitspraak in een gerelateerde zaak (AWB 23/2549) waarin reeds op het beroep was beslist. Gezien deze uitspraak achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.

Het verzoek werd daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 23/2550

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2022 heeft verweerder eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning niet in behandeling genomen.
Verzoeker heeft hiertegen op 16 november 2022 bezwaar ingediend. Bij besluit van 7 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid,
van de Awb. [2]

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer AWB 23/2549, heeft de rechtbank
uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De
voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af als kennelijk ongegrond.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 maart 2026 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.