ECLI:NL:RBDHA:2026:4250
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens bezwaarprocedure verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als doel uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft dit primaire besluit op 22 augustus 2025 afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij het besluit op bezwaar in Nederland kan afwachten.
De minister heeft op 13 februari 2026 schriftelijk aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist, en ziet geen beletselen om het verzoek toe te wijzen.
De voorzieningenrechter beveelt de minister zich te onthouden van uitzetting of voorbereidingen daartoe totdat op het bezwaar is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 907,-, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, minister mag verzoeker niet uitzetten totdat op bezwaar is beslist.