Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, werd op 13 februari 2026 staande gehouden en vervolgens opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat de voorafgaande staandehouding onrechtmatig was omdat er geen objectief vermoeden van illegaal verblijf zou zijn geweest en dat onvoldoende duidelijk was wat de aanleiding was voor zijn identificatie en eventuele strafrechtelijke aanhouding.
De rechtbank oordeelde dat uit het proces-verbaal M105 blijkt dat de staandehouding was gebaseerd op een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, ontleend aan telefonische informatie van collega-agenten die een signalering hadden ontvangen. De verbalisanten hebben zich bij deze collega’s gevoegd en eiser gevraagd naar zijn identiteit, waarna de ophouding volgde. Dit vormde een voldoende onderbouwing voor het vermoeden.
Het bezwaar van eiser dat het proces-verbaal niet duidelijk maakt wat de concrete aanleiding was voor de eerdere staandehouding door de basisteamagenten, werd niet relevant geacht omdat deze handeling plaatsvond op basis van de Wegenverkeerswet 1994 en niet op vreemdelingenrechtelijke gronden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
De uitspraak werd gedaan door rechter J.F.I. Sinack op 3 maart 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt ongegrond verklaard wegens voldoende onderbouwd redelijk vermoeden van illegaal verblijf.