ECLI:NL:RBDHA:2026:4218
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij gegrondverklaring beroep verblijfsvergunning asiel
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 19 augustus 2025 in de algemene procedure als kennelijk ongegrond is afgewezen. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 10 december 2025 in zitting te Groningen, waarbij verzoekster werd bijgestaan door een tolk en haar gemachtigde, en de minister werd vertegenwoordigd door een gemachtigde.
Bij de uitspraak van 3 maart 2026 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was en het verzoek daarom werd afgewezen. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister in de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter V.A.G. van Dijk en griffier J. Dijkstra, openbaar gemaakt op rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel is gegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.