ECLI:NL:RBDHA:2026:4207

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL25.40300
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep verlenging verblijfsvergunning medische behandeling zonder verblijfsgat

Eiseres diende een aanvraag in voor verlenging van haar verblijfsvergunning regulier medische behandeling, welke door de minister werd ingewilligd. Eiseres maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van het besluit, stellende dat sprake was van een verblijfsgat. De minister verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiseres stelde beroep in tegen deze beslissing.

Tijdens de zitting was eiseres niet aanwezig, maar haar gemachtigde was wel aanwezig. De rechtbank stelde vast dat inmiddels duidelijk was dat er geen sprake was van een verblijfsgat, omdat het besluit van 19 juli 2024 tijdig was genomen en aan de gemachtigde was toegezonden. Hierdoor was het bezwaar en beroep feitelijk niet nodig.

De gemachtigde van eiseres verzocht om proceskostenvergoeding omdat zij meende dat het besluit niet tijdig was kenbaar gemaakt. De rechtbank oordeelde dat het besluit wel degelijk tijdig was toegezonden en dat eiseres op de hoogte was gesteld, onder meer via een brief en e-mail. Daarom was er geen grond om de minister te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier K.E. Mulder en is openbaar gemaakt op 3 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40300

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

geboren op [geboortedatum],
van Sri Lankaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding nu voor haar duidelijk is geworden dat geen sprake is van een verblijfsgat. Eiseres was het niet eens met de ongegrondverklaring van haar bezwaarschrift, omdat zij in de veronderstelling was dat sprake was van een verblijfsgat. Inmiddels is duidelijk dat dit niet het geval is. Eiseres heeft haar beroep niet ingetrokken en wil een proceskostenvergoeding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift in stand kan blijven
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier ‘medische behandeling’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 13 mei 2025 ingewilligd. Eiseres heeft op 30 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de beslissing op bezwaar. Met het bestreden besluit van 21 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de minister het bezwaarschrift ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep
3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet langer in geschil is of er sprake is van een verblijfsgat. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank bericht dat zij na indienen van de gronden van beroep, het besluit gedateerd op 19 juli 2024 in het procesdossier heeft aangetroffen. Hieruit volgt dat er geen sprake is van het gestelde verblijfsgat. De rechtbank zal het beroep van eiseres daarom ongegrond verklaren.
Proceskosten
4. De gemachtigde van eiseres betoogt dat de minister in de proceskosten van eiseres moet worden veroordeeld, omdat de beroepsprocedure het rechtstreekse gevolg is van het nalaten van de minister om het besluit van 19 juli 2024 tijdig en op juiste wijze kenbaar te maken. De gemachtigde van eiseres stelt dat zij het besluit niet per post noch in de bezwaarfase heeft ontvangen.
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat het besluit van 19 juli 2024 aan de gemachtigde is toegezonden en dat bij de gemachtigde van eiseres meteen is aangegeven dat er een besluit is genomen, gedateerd op 19 juli 2024, waardoor er geen sprake is van een verblijfsgat.
4.2.
De rechtbank overweegt dat eiseres de beroepsprocedure is gestart, omdat zij in de veronderstelling was dat sprake was van een verblijfsgat. De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat het besluit van 19 juli 2024 eiseres niet heeft bereikt. In het dossier bevindt zich de brief waarbij het besluit aan het postadres van de gemachtigde is toegestuurd. Daarnaast bevindt zich in het dossier een e-mail aan de gemachtigde van eiseres waarbij zij, na een door haar gedaan verzoek om informatie over de stand van zaken, op 7 augustus 2024 op de hoogte is gesteld van het besluit van 19 juli 2024. Voordat eiseres op 30 mei 2025 bezwaar maakte, was zij dus al op de hoogte van het besluit van 19 juli 2024. Verder is de rechtbank gebleken dat ook in het besluit op bezwaar van 21 augustus 2025 is aangegeven dat uit het besluit van 19 juli 2024 volgt dat geen sprake is van een verblijfsgat. Gelet op het voorgaande was het voor eiseres niet nodig om bezwaar te maken en later beroep in te stellen. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet ook geen aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres [1] .

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.