ECLI:NL:RBDHA:2026:4199

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/09/697309 KG ZA 26-15
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopig uitsluitend gebruik van de huurwoning aan voormalig partners toegewezen

Eiseres en gedaagde, voormalige partners en medehuurders van een woning, zijn in geschil over het gebruik van de woning na het beëindigen van hun affectieve relatie. Gedaagde kreeg eerder een huisverbod opgelegd wegens een ernstige situatie met dreiging van huiselijk geweld, waarna eiseres met hun dochter de woning verliet en tijdelijk elders verbleef. Eiseres kan geen andere woonruimte vinden en vordert het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning met uitsluiting van gedaagde.

De voorzieningenrechter stelt vast dat beide partijen geen alternatieve woonruimte hebben en dat de dochter van partijen, die vijf jaar oud is, gebaat is bij continuïteit en stabiliteit in haar woon- en schoolsituatie nabij de woning. Eiseres draagt volledig de zorg voor de dochter, terwijl gedaagde geen omgang met haar heeft. Het belang van de dochter weegt daarom zwaarder dan het belang van gedaagde bij voortzetting van het gebruik van de woning.

De rechter wijst de vordering toe en veroordeelt gedaagde binnen zeven dagen na betekening de woning te verlaten en de sleutels aan eiseres te overhandigen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Het voorlopig uitsluitend gebruik geldt totdat in een bodemprocedure anders wordt beslist.

Uitkomst: Gedaagde moet binnen zeven dagen de woning verlaten en eiseres krijgt voorlopig uitsluitend gebruik van de woning toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/697309 KG ZA 26-15
Vonnis in kort geding van 3 februari 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. L. da Silva,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 januari 2026 met producties 1 tot en met 7.
1.2.
Op 27 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling in deze zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Aan het slot van de mondeling behandeling is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Partijen huren per 12 april 2023 de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning) van Stichting Stedelink.
2.2.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, waaruit een dochter is geboren. De dochter is thans vijf jaar oud. Inmiddels is de affectieve relatie geëindigd.
2.3.
Bij beschikking van 25 mei 2025 heeft [gedaagde] een huisverbod opgelegd gekregen van de burgemeester van de [gemeente] voor een periode van tien dagen wegens een “ernstige situatie waarbij een minderjarig kind getuige is geweest van de dreiging met huiselijk geweld”. Het huisverbod is vervolgens met een aansluitende periode van achttien dagen verlengd tot 22 juni 2025. Nadat het huisverbod ten einde is gekomen, is [gedaagde] teruggekeerd naar de woning. [eiseres] heeft de woning vervolgens met de dochter verlaten.
2.4.
Na het verlaten van de woning hebben [eiseres] en de dochter enkele maanden bij vrienden in [plaats 1] verbleven. Ook zijn zij twee weken in de woning van een andere vriendin verbleven tijdens een schoolvakantie. Vervolgens heeft KesslerPerspektief gedurende één maand de kosten van een hotelverblijf vergoed. Daarna heeft KesslerPerspektief geen ondersteuning meer geboden. Vanaf dat moment verblijft [eiseres] met de dochter, zonder toestemming van de verhuurder, bij een vriendin in [plaats 2] . [eiseres] en de dochter delen samen een kamer. De vriendin woont zelf ook in de woning met haar twee kinderen.
2.5.
Op 30 september 2025 heeft [eiseres] een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) van de [gemeente] heeft de aanvraag op 6 januari 2026 afgewezen, onder meer omdat [eiseres] nog huurder van de woning is en omdat zij er volgens het college niet alles aan heeft gedaan om het huisvestingsprobleem op te lossen. Volgens het college kan [eiseres] naar de woning terugkeren en kan zij financiële ondersteuning ontvangen.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert, na vermindering van eis ter zitting, uiteindelijk – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat [eiseres] , met uitsluiting van [gedaagde] , gerechtigd is tot het voorlopig gebruik van de woning aan de [adres] , met ingang van de datum van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen andere datum;
II. bepaalt dat [gedaagde] binnen 48 uur na betekening van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen andere termijn, de woning moet verlaten, onder afgifte van de sleutel van de woning aan [eiseres] ;
III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eiseres] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. Partijen kunnen niet meer samen in de woning verblijven. [eiseres] kan geen andere woning vinden en moet de woning waar zij nu tijdelijk verblijft op korte termijn verlaten. [eiseres] en de dochter komen dan op straat te staan, terwijl [eiseres] en met name de dochter zijn gebaat bij continuïteit en stabiliteit in de woon- en opvoedsituatie. Daarnaast gaat de dochter naar een basisschool in [gemeente] , vlakbij de woning. Het belang van [eiseres] en de dochter bij het voorlopige uitsluitende gebruik van de woning weegt daarom zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij voortzetting van het gebruik van de woning. Ook is Stedelink bereid de huurovereenkomst met [eiseres] voort te zetten.
3.3.
[gedaagde] voert verweer dat hierna, voor zover nodig, wordt besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang
4.1.
Gelet op de stelling van [eiseres] dat zij binnenkort geen woonruimte meer heeft voor zichzelf en haar dochter, is het spoedeisend belang bij de vorderingen gegeven. [gedaagde] heeft dit ook niet betwist.
Belangenafweging
4.2.
Niet in geschil is dat partijen beiden medehuurder zijn van de woning, zodat in principe beide partijen gerechtigd zijn tot het gebruik van de woning. Ook is niet in geschil dat partijen niet samen in de woning kunnen wonen, vanwege de onderlinge spanningen.
[eiseres] wil het gebruik van de woning met uitsluiting van [gedaagde] en [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij in de woning wil blijven, met uitsluiting van [eiseres] . De vraag is dus of de situatie zodanig is dat aan [gedaagde] voorlopig zijn gebruiksrecht van de woning kan worden ontzegd. De voorzieningenrechter maakt hiertoe een afweging van de door partijen naar voren gebrachte belangen en komt tot de conclusie dat de vordering van [eiseres] moet worden toegewezen. Daartoe is het volgende redengevend.
4.3.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat [eiseres] en hun dochter op zeer korte termijn dakloos dreigen te worden omdat zij niet langer bij de vriendin van [eiseres] in [plaats 2] kunnen verblijven en [eiseres] geen ander onderdak heeft kunnen vinden. Andersom heeft [eiseres] niet betwist dat [gedaagde] niet over alternatieve woonruimte beschikt. Voor beide partijen geldt dus dat zij op korte termijn geen zicht hebben op een andere woning. Bij die stand van zaken geeft het belang van de dochter van partijen de doorslag. Ter zitting is komen vast te staan dat [eiseres] niet werkt en volledig de zorg voor de dochter draagt en dat de dochter in de buurt van de woning naar school gaat. [gedaagde] heeft verklaard dat hij alleen in de woning woont en dat hij een tijdelijk familielid te logeren heeft en dat er geen omgang is tussen hem en zijn dochter. Gelet hierop en gezien de leeftijd van de dochter van partijen is van belang dat die zorg door de vrouw voorlopig kan worden voortgezet, en dat de dochter een stabiele woonsituatie heeft. Het belang van de dochter brengt dus mee dat het uitsluitend gebruik van de woning aan [eiseres] moet worden toebedeeld.
4.4.
Bij de toewijzing van de vordering van [eiseres] neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vrouw heeft verklaard dat zij in staat is de huur van de woning en de daarmee verbonden vaste lasten te betalen omdat de gemeente heeft toegezegd haar daarbij te gaan ondersteunen. Van belang is voorts dat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat hij financieel niet bijdraagt aan de kosten voor levensonderhoud voor [eiseres] en zijn dochter, zodat hij dus zijn inkomen kan aanwenden om een andere woonruimte te huren, indien hij dat wenst.
Conclusie
4.5.
Gelet op het voorgaande zal de vordering van [eiseres] op na te melden wijze worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht de door [eiseres] gevorderde termijn waarbinnen [gedaagde] de woning moet verlaten te kort en zal die termijn in redelijkheid stellen op zeven dagen na betekening van dit vonnis.
Proceskosten
4.6.
De voorzieningenrechter bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen, omdat partijen voormalige partners zijn en het geschil voortvloeit uit een verbroken affectieve relatie.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning aan [adres] uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te verlaten met de verplichting om alle sleutels van de woning aan [eiseres] te overhandigen en deze woning niet meer te betreden behoudens met toestemming van [eiseres] , zodat aan [eiseres] het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning toekomt totdat in een bodemprocedure anders wordt beslist;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
3556