ECLI:NL:RBDHA:2026:4177
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid en kennelijke ongegrondheid
Eiser, van Turkse nationaliteit, vordert bescherming omdat hij vreest te worden vermoord of gevangen genomen bij terugkeer naar Turkije vanwege vermeende problemen met de narcoticabrigade. Verweerder gelooft de identiteit en nationaliteit van eiser, maar acht diens beweringen over werkzaamheden bij de narcoticabrigade en de problemen daarmee ongeloofwaardig vanwege gebrek aan bewijs en ongerijmde verklaringen.
Verweerder wijst de asielaanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 en legt een terugkeerbesluit en een inreisverbod op. Eiser betwist de motivering en stelt dat de rechtsmiddelenclausule onjuist is, maar de rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd en dat de rechtsmiddelenclausule correct is.
De rechtbank concludeert dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 EVRM Pro. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.