Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4170

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
25/2486
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5.1 OmgevingswetArt. 1.1 OmgevingswetArt. 15.2.2 bestemmingsplan BinnenstadArt. 15.2.1 bestemmingsplan Binnenstad
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek aanbouw binnen rijksbeschermd stadsgezicht Leiden

Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Leiden om handhavend op te treden tegen een aanbouw aan de achterzijde van een woning, gelegen binnen een rijksbeschermd stadsgezicht. Het college wees het verzoek af omdat de aanbouw vergunningvrij mocht worden opgericht en het maximale bebouwingspercentage buiten het bouwvlak niet werd overschreden.

De rechtbank oordeelt dat de strook van 90 cm buiten het bouwvlak behoort tot het oorspronkelijke hoofdgebouw en daarom niet meetelt voor het maximale bebouwingspercentage voor aanbouwen. De aanbouw van 5,66 m2 blijft binnen de toegestane 30% van de niet als bouwvlak aangeduide gronden.

Verder is vastgesteld dat de aanbouw voldoet aan de voorwaarden van het omgevingsplan en de Omgevingswet, waardoor geen omgevingsvergunning vereist is. Het beroep van eiser op schending van het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend en het griffierecht wordt niet terugbetaald.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2486

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden

(gemachtigde: mr. B. Scharroo).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. J. van der Kaap).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het afwijzen van een handhavingsverzoek. Eiser heeft het college gevraagd om handhavend op te treden tegen een aanbouw aan de achterzijde van de woning op het perceel [adres] . Het college heeft dat verzoek afgewezen. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het handhavingsverzoek heeft mogen afwijzen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek van eiser terecht heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond en het bestreden besluit blijft in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen een niet vergunde bouwactiviteit aan het pand van derde-partij aan de [adres] .
2.1.
Bij primair besluit van 24 juni 2024 is het handhavingsverzoek door het college toegewezen en is een last onder dwangsom opgelegd aan de derde-partij.
2.2.
Met het bestreden besluit van 3 maart 2025 op het bezwaar van de derde-partij, heeft het college het primaire besluit herroepen en het handhavingsverzoek alsnog afgewezen.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en de derde-partij, bijgestaan door hun gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
3.1.
Het verzoek om handhaving is gedaan op 4 februari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Omgevingswet van toepassing is.
Toetsingskader
4. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bevat een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar het handhavingsverzoek op ziet, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Binnenstad’ (het bestemmingsplan) van kracht. Dat bestemmingsplan maakt sinds 1 januari 2024 dus deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Leiden.
4.1.
De bepalingen uit het omgevingsplan en de Omgevingswet die van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak, zijn opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De standpunten van partijen
5. Het college heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een overtreding, omdat de aanbouw vergunningvrij mocht worden opgericht. Het college heeft hiertoe verwezen naar artikel 15.2.2, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan. Daarin is bepaald – voor zover hier van belang – dat per bouwperceel ten hoogste 30% van de niet als bebouwingsvlak aangeduide gronden mag worden bebouwd met aanbouwen en bijgebouwen. Volgens het college is die bepaling niet overtreden. Daarbij betrekt het college dat het deel van het hoofdgebouw op het perceel dat zich buiten het bouwvlak bevindt, niet als een aanbouw of bijgebouw dient te worden aangemerkt. Daarnaast heeft het college het standpunt ingenomen dat voor de aanbouw ook geen omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit [1] is vereist.
6. Eiser betoogt dat wel degelijk sprake is van een overtreding. Hij voert in de kern aan dat het deel van het hoofdgebouw dat zich buiten het bouwvlak bevindt, als een aanbouw gezien moet worden. Daarmee is volgens eiser al een deel van het perceel buiten het bouwvlak volgebouwd en resteert onvoldoende ruimte voor de aanbouw waarop zijn handhavingsverzoek betrekking heeft. Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat hij met name boos is over het feit dat het college deze aanbouw vergunningvrij acht, terwijl een door hem aangevraagde aanbouw is geweigerd. Eiser vindt dat het college met twee maten meet en daarmee het gelijkheidsbeginsel schendt. Bovendien voelt hij zich niet voldoende gehoord door het college.
Is sprake van een overtreding?
Wordt het maximale bebouwingspercentage buiten het bouwvlak overschreden?
7. De rechtbank stelt voorop dat in het bestemmingsplan niet wordt gedefinieerd wat onder een aanbouw of een bijgebouw moet worden verstaan. Vaststaat dat de woning van de derde partij aan de achterzijde de grens van het bouwvlak met ongeveer 90 cm overschrijdt. Ter zitting is door partijen bevestigd dat deze overschrijding al heeft plaatsgevonden bij de bouw van de woning in 1988. In 2022 is de achtergevel van de woning (deels) vervangen, waarbij de overschrijding van het bouwvlak niet is gewijzigd. Volgens vaste rechtspraak is het oorspronkelijke hoofdgebouw het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgericht. [2] Als tussentijds sprake is van het (deels) vervangen van een gevel op dezelfde plaats, zoals in dit geval, blijft sprake van een oorspronkelijk hoofdgebouw. Deze rechtspraak dateert weliswaar van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, maar de rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat aan het begrip “oorspronkelijk hoofdgebouw” sinds de inwerkingtreding van die wet een andere invulling moet worden gegeven. Dat betekent dat de strook van 90 cm waarmee de woning van de derde-partij buiten het bouwvlak valt, behoort tot het oorspronkelijke hoofdgebouw. Het college heeft terecht aangenomen dat deze strook geen aanbouw of bijgebouw is en daarom niet meetelt voor het maximale bebouwingspercentage voor aanbouwen of bijgebouwen buiten het bouwvlak.
7.1.
Niet in geschil is dat – als de strook van 90 cm waarmee het hoofdgebouw het bouwvlak overschrijdt niet wordt meegerekend – sprake is van een bouwperceel achter het bouwvlak met een oppervlakte van ongeveer 26,2 m2. Daarvan mag 30% worden bebouwd met aanbouwen en bijgebouwen, wat neerkomt op 7,86 m2. De aanbouw heeft een oppervlakte van 5,66 m2 en voldoet daarmee aan artikel 15.2.2, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan.
7.2.
Het betoog slaagt niet.
Is de aanbouw omgevingsvergunningvrij?
8. Artikel 22.26 van het omgevingsplan bevat een verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken (de omgevingsplanactiviteit bouwwerken). Artikel 22.27 van het omgevingsplan maakt op dit verbod een uitzondering, in het geval een bouwwerk voldoet aan de voorwaarden uit dat artikel. Voor die bouwwerken is geen omgevingsvergunning vereist, mits ze in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. [3]
8.1.
Eiser heeft niet gemotiveerd bestreden dat de aanbouw voldoet aan zowel de voorwaarden uit artikel 22.27, aanhef en onder a, van het omgevingsplan als aan de bouw- en gebruiksregels van artikel 15 van Pro het bestemmingsplan, met uitzondering van artikel 15.2.2, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan. Hierboven heeft de rechtbank al overwogen dat eiser niet wordt gevolgd in zijn betoog over die bepaling. Dat betekent dat de aanbouw voldoet aan de voorwaarden van artikel 22.27 van het omgevingsplan. De aanbouw mocht daarom worden opgericht en in stand worden gehouden zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
8.2.
Dat de aanbouw is gerealiseerd binnen het rijksbeschermd stadsgezicht ‘Leiden binnen de Singels’ doet aan het voorgaande niet af. Weliswaar beperkt artikel 22.28 van het omgevingsplan de mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stadsgezicht omgevingsvergunningvrij te bouwen, maar niet in geschil is dat sprake is van een bouwwerk als bedoeld in artikel 22.28, derde lid, aanhef en onder c, van het omgevingsplan. Dat betekent dat artikel 22.27 van het omgevingsplan onverkort van toepassing is.
8.3.
Gelet op het voorgaande heeft het college terecht aangenomen dat de aanbouw omgevingsvergunningvrij mocht worden opgericht en in stand mag worden gehouden. Dat betekent dat geen sprake is van een overtreding waartegen handhavend kon worden opgetreden. Het handhavingsverzoek van eiser is daarom terecht afgewezen.
9. Voor zover eiser heeft betoogd dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, volgt de rechtbank hem niet in dit betoog. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat het college ten onrechte zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanbouw heeft afgewezen, terwijl de aanbouw bij de woning van de derde-partij aanvaardbaar is geacht. De weigering van een omgevingsvergunning betreft echter geen situatie die vergelijkbaar is met het voorliggende geval, waarin is afgezien van handhavend optreden. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat het college in rechtens vergelijkbare gevallen ten onrechte verschillend heeft gehandeld. Het betoog van eiser slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
10.1.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt ook het door hem betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE

Omgevingswet

Ingevolge artikel 5.1, eerste lid aanhef en onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit uit te voeren.
Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Ow wordt onder omgevingsplanactiviteit onder meer verstaan: een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.

Omgevingsplan gemeente Leiden

Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan gemeente Leiden is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Ingevolge artikel 22.27, aanhef en onder a, van het omgevingsplan geldt het verbod in artikel 22.26 niet voor de activiteiten die betrekking hebben op een bouwwerk die aan de eisen uit datzelfde artikel voldoet.
Ingevolge artikel 22.28, derde lid, aanhef en onder c, van het omgevingsplan is op een activiteit, die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd.

Bestemmingsplan ‘Binnenstad’

Ingevolge artikel 15.1 van het bestemmingsplan hebben de gronden waarop het pand is gevestigd de bestemming ‘wonen’. Ingevolge artikel 20.1 van datzelfde plan hebben de gronden waarop het pand is gevestigd de bestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’.
Ingevolge artikel 1.47 van het bestemmingsplan wordt onder ‘hoofdgebouw’ een gebouw verstaan dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht.
Ingevolge artikel 15.2.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen de bebouwingsgrenzen worden opgericht.
Ingevolge artikel 15.2.2, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan mogen buiten het bouwvlak uitsluitend bijbehorende bouwwerken worden opgericht.
Ingevolge artikel 15.2.2, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan mag per bouwperceel ten hoogste 30% van de niet als bebouwingsvlak aangeduide gronden worden gebouwd met aanbouwen en bijgebouwen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1897.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4539.