De minister van Asiel en Migratie legde op 12 februari 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten nadat verweerder de bewaring op 23 februari 2026 heeft opgeheven.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening heeft vastgesteld en dat de maatregel noodzakelijk was vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Diverse zware gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan overdracht, zijn feitelijk juist en voldoende onderbouwd.
Hoewel eiser aangeeft bereid te zijn mee te werken aan vertrek en bezwaar maakt tegen enkele gronden, zijn deze bezwaren onvoldoende om de maatregel te vernietigen. De rechtbank acht een lichtere maatregel niet toereikend en constateert geen onrechtmatigheid in de bewaring. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.