ECLI:NL:RBDHA:2026:4153
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring en schadevergoeding
Eiser werd op 7 februari 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 8 februari 2026 werd deze maatregel opgeheven en vervangen door een nieuwe maatregel met Dublinaanknopingspunten. Eiser stelde beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatige tenuitvoerlegging van de maatregel.
De rechtbank overwoog dat de maatregel van 7 februari 2026 was opgeheven en dat de beoordeling zich daarom beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was geweest. Eiser voerde aan dat de voortduring van de maatregel onrechtmatig was vanaf 16 februari 2026 vanwege de minderjarigheid van zijn zoon en medische problemen binnen het gezin. Verweerder stelde dat de zoon zich als meerderjarig had voorgedaan met een vervalst paspoort en dat het grensbewakingsbelang een vrijheidsontnemende maatregel rechtvaardigde.
De rechtbank stelde vast dat eiser op 7 februari 2026 een verzoek om internationale bescherming had ingediend zonder te voldoen aan de toegangsvoorwaarden, waardoor de maatregel terecht was opgelegd. De minderjarigheid van de zoon kon niet worden meegewogen omdat deze zich als meerderjarig had voorgedaan. Ook was geen sprake van een significant risico op onderduiken en was er geen aanleiding te oordelen dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.