ECLI:NL:RBDHA:2026:4134

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL24.33601
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000VluchtelingenverdragBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens motiveringsgebrek bij afwijzing asielaanvraag Nigeriaanse asielzoeker

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 17 december 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 6 augustus 2024 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het asielverhaal, met name over het overlijden van een vriend die betrokken was bij de PDP-partij. Eiser voerde beroep aan tegen deze afwijzing.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit een ondertekeningsgebrek bevatte, maar geen bevoegdheidsgebrek, en dat dit gebrek niet tot vernietiging leidt. De kern van het geschil betreft de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over de moord op zijn vriend. De minister achtte deze ongeloofwaardig vanwege het ontbreken van documenten en vermeende tegenstrijdigheden in de verklaringen.

De rechtbank stelt echter vast dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn. De minister heeft niet adequaat toegelicht waarom het vaag zou zijn dat eiser de naam van zijn informant niet kent en waarom het tegenstrijdig zou zijn dat eiser niet weet waarom zijn vriend is vermoord terwijl de echtgenote van de vriend een plausibele reden noemt.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond vanwege dit motiveringsgebrek en vernietigt het bestreden besluit. De minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij ook het recent overgelegde krantenartikel en de verklaringen van eiser op de zitting betrokken moeten worden. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek en het bestreden besluit wordt vernietigd met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33601

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is daarom gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 december 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat in augustus 2022 de Fulani x-men het dorp aanvielen waar hij op bezoek was bij zijn ouders. Hierbij is eisers vader vermoord. Daarnaast heeft hij politieke activiteiten verricht voor de PDP partij en is hij ook lid van die partij sinds 2009. Zijn vriend, die tevens jeugdleider was van de PDP in zijn regio, is neergeschoten en vermoord op 2 december 2022. Eiser woonde op dat moment met hem en zijn gezin samen in huis. Omdat hij vreesde ook te zullen worden vermoord is hij direct ondergedoken en heeft hij op 6 december 2022 Nigeria verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. De aanval in Delta State door de Fulani x-men;
3. Lidmaatschap van de PDP partij en daaruit voortvloeiende problemen;
4. Het overlijden van eisers vriend ten gevolge van betrokkenheid bij de PDP.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst, de aanval in Delta State door de Fulani x-men en het lidmaatschap van de PDP partij en daaruit voortvloeiende problemen geloofwaardig zijn. Echter, de minister acht het overlijden van eisers vriend ten gevolge van betrokkenheid bij de PDP ongeloofwaardig. Eiser heeft dit namelijk niet onderbouwd met documenten. Ook heeft hij vaag verklaard over degene die hem geïnformeerd heeft over de dood van zijn vriend. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de reden dat zijn vriend is neergeschoten. De minister komt tot de conclusie dat de geloofwaardig geachte elementen niet zwaarwegend genoeg zijn om eiser aan te merken als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft zijn gestelde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade bij terugkeer niet aannemelijk gemaakt.
Heeft de minister het bestreden besluit onbevoegd genomen?
5. Het bestreden besluit is ondertekend namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, die op dat moment (6 augustus 2024) niet bevoegd was om op de asielaanvraag van eiser te beslissen. Met ingang van het aantreden van het kabinet-Schoof op 2 juli 2024 is de minister van Asiel en Migratie de bevoegde bewindspersoon voor zover het gaat over aangelegenheden op het terrein van asiel en migratie. [1] Het besluit is dus ten onrechte ondertekend namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een bevoegdheidsgebrek, maar van een ondertekeningsgebrek. Voor de rechtbank is voldoende aangetoond dat de minister het besluit heeft genomen en dat enkel de wijze van ondertekenen nog niet was aangepast op de nieuwe situatie. Er is daarom sprake van een kennelijke verschrijving in de ondertekening zodat deze beroepsgrond niet slaagt. [2]
Heeft de minister het overlijden van eisers vriend ongeloofwaardig mogen achten?
6. Eiser voert in zijn beroepsgronden aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat eiser geen documenten heeft kunnen overleggen ter onderbouwing van het overlijden van zijn vriend. Daarnaast voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn. Eiser heeft van iemand uit de buurt, die hij van gezicht zou kennen, vernomen over de moord op zijn vriend. Volgens eiser is het niet vaag dat hij de naam van die persoon niet kent. Ook heeft eiser niet tegenstrijdig verklaard over de reden van de moord. Eiser heeft verklaard dat hij niet weet waarom zijn vriend is doodgeschoten. Dat de vrouw van zijn wijlen vriend heeft gezegd dat hij zou zijn doodgeschoten omdat hij een APC-lid heeft uitgenodigd voor een bijeenkomst is een plausibele verklaring, maar geen zekerheid zodat dit niet tegenstrijdig is met de verklaring van eiser dat hij het niet weet. Daarbij heeft eiser daags voor de zitting nog een krantenartikel van de Nigeriaanse krant ‘Vanguard’ overgelegd, dat gaat over de moord op zijn vriend en waarin eisers naam ook wordt genoemd. [3]
6.1.
Niet is in geschil dat ten tijde van het bestreden besluit eiser zijn verklaringen over het overlijden van zijn vriend niet had onderbouwd met (objectieve) documenten die dit relevante element volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister aan de hand van de nieuwe werkinstructie WI 2024/6 [4] beoordeeld of het element alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000 omdat zijn verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn.
6.2.
De rechtbank volgt het betoog van eiser dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn bevonden. In het voornemen en in de beschikking heeft de minister tegengeworpen dat eiser vaag zou hebben verklaard over van wie hij heeft gehoord dat zijn vriend zou zijn doodgeschoten. Ook heeft de minister tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig zou hebben verklaard over waarom zijn vriend zou zijn doodgeschoten. Eiser heeft verklaard dat hij over het overlijden van zijn vriend is geïnformeerd door een persoon die bij hen in de straat woonde. Eiser heeft hierover terecht opgemerkt dat het niet ongewoon is dat er mensen in de straat wonen die je van gezicht kent maar niet bij naam. De minister heeft tijdens het nader gehoor ook niet specifiek naar de naam van die persoon gevraagd. Evenmin valt in te zien waarom het vreemd zou zijn dat eiser en de echtgenote van zijn vriend van iemand in de straat hebben vernomen dat eisers vriend vermoord is. De minister heeft dus onvoldoende gemotiveerd waarom eiser hier vaag over zou hebben verklaard. De minister heeft ook onvoldoende gemotiveerd waarom het tegenstrijdig is dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij niet weet waarom zijn vriend is doodgeschoten en dat hij anderzijds heeft verklaard dat de echtgenote van zijn vriend denkt dat zijn vriend is vermoord omdat de vriend een APC-lid zou hebben uitgenodigd voor een bijeenkomst. Dat de echtgenote dat denkt betekent immers nog niet dat eiser geacht kan worden te wéten dat dit inderdaad de reden voor de moord is. De minister dient het voorgaande nader te motiveren. Daarbij merkt de rechtbank op dat de minister bij het nemen van een nieuw besluit ook nader kan ingaan op de waarde die gehecht moet worden aan het krantenartikel dat daags voor de zitting is overgelegd, zeker nu de minister op de zitting al heeft aangegeven dat hij redenen ziet om te twijfelen aan de inhoud daarvan. Ook kan de minister in dat besluit de verklaringen van eiser op de zitting meenemen, namelijk dat na de gestelde moord op zijn vriend op ramen en deuren van de woning waar hij verbleef werd geklopt en dat werd geprobeerd om eiser te ontvoeren.
7. De rechtbank verklaart hierom al het beroep gegrond. De door eiser aangevoerde beroepsgronden met betrekking tot de gestelde vrees bij terugkeer behoeven geen bespreking meer, omdat de minister opnieuw zal moeten beslissen over de geloofwaardigheid van eisers verklaringen met betrekking tot de stelling dat zijn vriend is vermoord ten gevolge van betrokkenheid bij de PDP.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond vanwege het geconstateerde motiveringsgebrek. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank ziet gelet op de aard van het geconstateerde gebrek geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank draagt de minister op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van acht weken na de dag van de verzending van deze uitspraak.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 augustus 2024;
- draagt de minister op om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Stcrt. 2024, nr. 22497.
2.ABRvS, 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:765, r.o. 3.1.
3.[website]
4.WI 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).