ECLI:NL:RBDHA:2026:4129
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie heeft op 14 januari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld. De rechtbank heeft deze maatregel reeds eerder getoetst en verklaard rechtmatig tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 27 januari 2026.
In het huidige beroep stelt eiser dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank oordeelt dat de minister sinds de oplegging van de maatregel op 14 januari 2026 verplicht is te werken aan de uitzetting en dat de minister met het verzenden van een laissez-passer aanvraag en het herhaaldelijk rappelleren van de Marokkaanse autoriteiten aan deze verplichting heeft voldaan. Ook het geplande vertrekgesprek op 6 februari 2026, dat niet doorging vanwege gedragsproblemen van eiser, ondersteunt dit oordeel.
Eiser betoogt voorts dat de minister een lichter middel, zoals een meldplicht, had moeten toepassen. De rechtbank stelt vast dat eiser dit niet heeft onderbouwd, zodat deze grond niet slaagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.