ECLI:NL:RBDHA:2026:411

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
09-271261-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet door verlengde uitvoer van cocaïne

Op 12 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De verdachte, geboren in 1985 en op dat moment gedetineerd, werd ervan beschuldigd op 11 maart 2025 te Schiphol, samen met een medeverdachte, ongeveer 1086,59 gram cocaïne buiten het grondgebied van Nederland te hebben gebracht. De rechtbank heeft het onderzoek op de terechtzitting gehouden op 29 december 2025, waar de officier van justitie, mr. N.C. Neelis, de bewezenverklaring van het tenlastegelegde heeft gevorderd. De verdediging, vertegenwoordigd door mr. L.S.T.H. Ruijters, heeft gepleit voor vrijspraak van de verdachte.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met de medeverdachte een postpakket met cocaïne naar het buitenland heeft verzonden. De douane heeft het pakket op Schiphol onderschept. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de verdachte, door het pakket samen met de medeverdachte naar Schiphol te brengen en het ter verzending aan te bieden, zich bewust was van de kans dat het pakket illegale goederen bevatte. De rechtbank heeft geoordeeld dat er sprake was van voorwaardelijk opzet op de verlengde uitvoer van cocaïne.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast zijn er bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een meldplicht bij de reclassering en een behandelverplichting voor zijn verslavingsproblematiek. De rechtbank heeft ook de teruggave van een in beslag genomen telefoon gelast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/271261-25
Datum uitspraak: 12 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres]
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] te [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 29 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.C. Neelis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. L.S.T.H. Ruijters, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 maart 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans
in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1086,59
gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde
cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het hem tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer LXFBC25005-103, van de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, Dienst Infrastructuur, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 267).
1. Het proces-verbaal van bevinding en overdracht met nr. 2025-6500-99405, opgemaakt op 9 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 23):
Op 12 maart 2025 is door de Douane op locatie Schiphol een postpakket gecontroleerd. Het postpakket was voorzien van het Airwaybill-nummer 772582771769 en geadresseerd aan een adres in Australië.
In de doos zijn los vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen en is door middel van een M.M.C. Cocain test getest. Uitslag test: positief. De zending is op 12 maart 2025 in beslag genomen.
2. Het proces-verbaal bevindingen, opgemaakt op 31 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 38-39):
Na het openen van het postpakket met Airwaybill 772582771769, zag ik een
rechthoekige pakketvorm omwikkeld met bruin tape liggen. Op het pakket zat een
klein buisje vastgeplakt, met een kleine hoeveelheid wit poeder erin wat eerder
getest was door de collega's van de douane op 12 maart 2025. Ik heb het pakket op
een weegschaal gelegd en ik zag op de weegschaal 1086,59 gram staan.
3. Het deskundigenrapport, op 5 juni 2025 opgemaakt en ondertekend door W. Wind, wetenschappelijk medewerker bij het Douane Laboratorium te Amsterdam van het HARP-team van de Politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, voor zover inhoudende (p. 37):
Betreft 7725 8277 1769.
Ik ontving een kartonnen doos met een in tape gewikkeld blok met wit poeder. Het
witte poeder werd onderzocht en hierbij werd vastgesteld dat het materiaal cocaïne
bevatte.
CONCLUSIE:
Het materiaal bevat cocaïne.
Deze substantie is vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 29-32):
Op 11 maart 2025, omstreeks 16:18 uur, is er een postpakket ingeleverd bij FedEx te Schiphol, met AirWayBill nummer 772582771769. Het pakket is afgeleverd door twee personen. De beveiliging van FedEx lichtte de douane Schiphol Cargo in over het postpakket. De douane heeft ter plaatse het pakket geopend en zagen hierin een blok, vacuüm geseald, liggen. De inhoud van het blok is getest met een MMC tester voor cocaïne, en deze reageerde positief. Hierdoor rees het vermoeden dat er cocaïne in het postpakket zat. De douane heeft het postpakket in beslag genomen en het Hit and Run Post (HARP) team is ingelicht over de bevinding.
Er zijn beelden gevorderd gericht op de in- en uitgang van de inleverbalie en de parkeerplaats, van 11 maart 2025 van 15:40 uur tot en met 16:40 uur.
Hieronder is een uitwerking van de gevorderde camerabeelden van 11 maart 2025, bij FedEx te Schiphol.
Verdachte 1 is de persoon die de auto bestuurt.
Verdachte 2 is de persoon die aan de bijrijderskant zit.
Op 11 maart 2025, om 16:15 uur, zie ik op de camerabeelden een witte auto aan komen rijden. Ik zie twee personen in de auto zitten. Ik zie verdachte 2 uitstappen aan de bijrijderskant, en hij loopt naar een paar mensen die hesjes dragen, vermoedelijk werknemers van FedEx. De man gebaart met zijn handen en gaat weer in de auto zitten aan de bijrijderskant.
Om 16:16 uur wordt de auto geparkeerd en de twee personen stappen uit, aan de bestuurderskant en de bijrijderskant. Verdachte 1 stapt uit aan de bestuurderskant en loopt richting de kofferbak en blijft daar staan. Verdachte 2 stapt uit aan de bijrijderskant, en loopt richting de ingang van FedEx.
Ik zie dat verdachte 1 de kofferbak opent en een bruingekleurde doos hieruit haalt. Verdachte 2 loopt terug richting de auto en pakt de doos over van verdachte 1. Ik zie de verdachten samen richting de ingang lopen van FedEx.
Om 16:17 uur zie ik de verdachten samen naar het inleverpunt van FedEx lopen. Verdachte 2 draagt het pakket en legt het op de weegschaal van het inleverpunt. Verdachte 2 drukt op een knop, waarna een medewerker van FedEx naar de balie toeloopt.
Om 16:18 uur zie ik verdachte 2 een telefoon uit zijn jaszak pakken en de telefoon op het postpakket richten. De medewerker van FedEx scant het pakket en hierna verlaten de verdachten om 16:19 uur het pand.
Na het verlaten van het pand zie ik de verdachten samen richting de auto lopen waar ze eerder uitgestapt waren. Verdachte 1 gaat op de bestuurderstoel zitten en verdachte 2 gaat op de bijrijdersstoel zitten. Hierna zie ik de auto wegrijden.
6. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 december 2025, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op de beelden sta die door de politie zijn beschreven. Ik heb het pakket naar binnen gedragen en op de weegschaal gezet. Ik ben met [medeverdachte] meegereden. Ik ken [medeverdachte] via via. We barbecueën wel eens, maar we gaan niet op stap. We zijn van Eindhoven naar Amsterdam gereden. Hij moest een pakketje afleveren bij FedEx Schiphol.
3.4.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op het (verlengd) uitvoeren van cocaïne. De verdachte had namelijk geen wetenschap van de inhoud van het pakket.
De rechtbank overweegt als volgt.
Onder het uitvoeren van drugs, wordt mede verstaan het aanbieden daarvan ter verzending naar het buitenland (verlengde uitvoer).
Voor een veroordeling ter zake van uitvoer van verdovende middelen is opzet vereist, al dan niet in voorwaardelijke zin. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van het pakket. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich een verboden gevolg – in dit geval de uitvoer van cocaïne – zou voordoen. Dat laatste is hier wel het geval.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met [medeverdachte] van Eindhoven naar Amsterdam is gereden om een pakket af te leveren bij FedEx Schiphol. De verdachte en [medeverdachte] zijn bekenden van elkaar. De verdachte verklaart dat hij voor de gezelligheid meeging en geen idee had wat er in het pakketje zat. Hij verklaart voorts dat hij zich niet heeft afgevraagd waarom ze voor de verzending helemaal naar Schiphol moesten reizen. Ook heeft hij niet aan [medeverdachte] gevraagd waarom deze het pakket niet zelf afgaf (of af wilde geven).
Uit de beschrijving van de camerabeelden kan worden afgeleid dat de verdachte bij de aflevering concrete handelingen verricht. Zo was het de verdachte die, voordat ze bij het FedEx-pakketpunt aankomen, uit de auto stapte om, naar het lijkt, iets te vragen aan de daar aanwezige medewerkers. Als ze vervolgens bij FedEx aankomen, is het wederom de verdachte die bij de auto het pakket van [medeverdachte] overneemt en ermee naar de ingang loopt. Binnen is het vervolgens opnieuw de verdachte die het pakket op de weegschaal legt, zijn telefoon uit zijn jaszak pakt en die telefoon richt op het pakket. Vervolgens scant de medewerker van FedEx het pakket.
Daar komt bij dat de verdachte volgens eigen zeggen niet onwetend is op het gebied van drugs. Zo is hij naar eigen zeggen in een drugsbuurt opgegroeid en kijkt hij elke dag naar het programma ‘Border Security’. Toen hij tijdens het verhoor door de politie een foto te zien kreeg van de inhoud van het pakket, bleek uit zijn reactie dat hij wist dat een dergelijke verpakking in de drugswereld doorgaans een kilogram bevat.
Dit alles maakt dat hij rekening had moeten houden met de kans dat het pakket illegale goederen (bijvoorbeeld drugs), bevatte. Door het pakket, samen met [medeverdachte] , naar Schiphol te brengen en het daar ter verzending aan te bieden, heeft hij de kans welbewust aanvaard dat hij daarmee harddrugs buiten het grondgebied van Nederland zou brengen.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de verlengde uitvoer van cocaïne. De verdachte en [medeverdachte] trekken daarbij samen op, ze reizen samen en bieden uiteindelijk samen het pakket aan, waarbij ze allebei op momenten handelingen met het pakket verrichten. Beiden leveren een significante bijdrage en gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Het aan de verdachte tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 11 maart 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1086,59 gram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd in het rapport van 17 december 2025.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden het uitgangspunt zou moeten zijn, waarvan een groot deel, bijvoorbeeld 4 maanden, voorwaardelijk.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich, samen met een medeverdachte, schuldig gemaakt aan (verlengde) uitvoer van ongeveer een kilo cocaïne. De verdachten hebben deze drugs in een postpakket ter verzending naar het buitenland aangeboden, waarna dit pakket door de douane is onderschept. Het gebruik van harddrugs is verslavend en gevaarlijk voor de volksgezondheid. De verspreiding van en handel in harddrugs gaat bovendien gepaard met vele andere vormen van zware en ondermijnende criminaliteit. Feiten als deze veroorzaken voor de samenleving uiteindelijk veel schade, onveiligheid en onrust. Door de (verlengde) uitvoer naar het buitenland wordt de internationale handel in harddrugs in stand gehouden.
De verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen. Wel weegt de rechtbank mee dat zijn bijdrage beperkt was tot het versturen van de drugs, en dat niet is gebleken dat hij een belangrijke organisatorische rol vervulde.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 november 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van
17 december 2025. Hieruit volgt dat het recidiverisico als laag-gemiddeld wordt ingeschat, omdat de verdachte zeven jaar uit beeld is gebleven. Wel constateert de reclassering de nodige risicofactoren. Zo heeft de verdachte een laag inkomen en geen werk vanwege zijn ziekte en lichamelijke gesteldheid. Er is ook sprake van een cannabisafhankelijkheid en gebruik van harddrugs. De verdachte heeft weinig perspectief in het leven, wat leidt tot een gebrek aan autonomie, verbondenheid en competentie. De reclassering adviseert bij een veroordeling als bijzondere voorwaarden op te leggen een verplichting tot schuldhulpverlening, een ambulante behandelverplichting ten aanzien van middelengebruik en psychosociaal functioneren en een meldplicht.
Hoewel de verdachte een ontkennende proceshouding heeft, heeft hij op de zitting verklaard dat zijn huidige detentie een positief kantelpunt voor hem is. Hij houdt zich sinds zijn aanhouding veel bezig met het geloof en daardoor is hij nu minder depressief. Hij wil deze positieve lijn na zijn detentie graag doorzetten en zou daar hulp bij willen. De verdachte wil ook graag hulp bij het aanpakken van zijn schulden. De verdachte heeft zich bereid verklaard zich te houden aan alle voorwaarden die door de reclassering worden gesteld.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is, bij de in- en uitvoer van 1000-1500 gram harddrugs, als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 tot 12 maanden.
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte.
De rechtbank acht daarom passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van
8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

7.Het beslag

De rechtbank overweegt als volgt.
Uit de kennisgeving van inbeslagneming op pagina 262 van het dossier blijkt dat op
13 oktober 2025 onder de verdachte een telefoon van het merk Oppo en met voorwerpnummer LXFBC25005_870683 in beslag is genomen.
De rechtbank beschikt niet over een beslaglijst maar zal, nu niet is gebleken dat de telefoon aan de verdachte is teruggegeven, op het beslag beslissen. Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de telefoon van het merk Oppo.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, vijfde lid van de Opiumwet;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (ACHT) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de
bijzondere voorwaardendat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij [instelling] reclassering (of een soortgelijke zorgverlener) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van [instelling] (of een soortgelijke zorgverlener), te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, en zolang de reclassering de behandeling nodig vindt, teneinde zich te laten behandelen voor zijn psychische problematiek en verslavingsproblematiek;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, waarbij hij de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden geeft.
geeft opdracht aan [instelling] reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
beslag
gelast de teruggave aan de verdachte van een telefoon van het merk Oppo, met voorwerpnummer LXFBC25005_870683.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Kuijper, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. R.J. Wortelboer, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 januari 2026.