ECLI:NL:RBDHA:2026:41

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
NL25.57691
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbStaatsblad 2025, 96
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen minister op aanvraag uitstel van vertrek

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie op het bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot uitstel van vertrek. De rechtbank had eerder het besluit van de minister vernietigd en een termijn van acht weken gegeven voor een nieuw besluit. Deze termijn is inmiddels verstreken zonder dat de minister een beslissing heeft genomen.

De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond en legt de minister een nieuwe beslistermijn van vier weken op, ingaand de dag na de bekendmaking van deze uitspraak. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- opgelegd voor het geval de minister niet binnen deze termijn beslist.

De rechtbank wijst het verzoek om een bestuurlijke dwangsom af vanwege de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, waardoor de bestuurlijke dwangsom is afgeschaft voor ingebrekestellingen na 15 april 2025. Daarnaast wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een beslistermijn van vier weken en een dwangsom op.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57691

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd opnieuw heeft beslist op het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een uitstel van vertrek.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Eiser heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Bij de uitspraak van 9 juli 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats, het besluit van de minister vernietigd en bepaald dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moest nemen. Verweerder heeft hiertegen hoger beroep ingediend. Het hoger beroep heeft niet geleid tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. [2]
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
4. In een eerdere beroepsprocedure heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen acht weken alsnog een beslissing op de aanvraag te nemen. Mede gelet op de beslistermijn die de rechtbank in een eerdere procedure heeft opgelegd en het tijdsverloop sindsdien, bepaalt de rechtbank daarom dat de minister binnen vier weken een beslissing op de aanvraag moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
5. Eiser heeft gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [3] De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is. De dwangsom is bedoeld als prikkel om het bestuursorgaan te bewegen een besluit te nemen. In de meeste gevallen is een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- daarvoor voldoende.
Is de minister een bestuurlijke dwangsom verschuldigd?
6. Eiser heeft gevraagd de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Met de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken [4] is de bestuurlijke dwangsom afgeschaft voor de zaken waarin de ingebrekestelling op of na 15 april 2025 is ingediend. De minister hoeft geen bestuurlijke dwangsom aan eiseres te betalen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister binnen
vier weken een besluit moet nemen op de aanvraag
,Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
8. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. [5]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van K.D.M. Nijholt, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
3.Artikel 8:55d. tweede lid, van de Awb.
4.Staatsblad 2025, 96.
5.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.