Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4088

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/09/679875 / FA RK 25-918
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 BWArt. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging partneralimentatie na echtscheiding wegens gewijzigde omstandigheden en beoordeling grievend gedrag

Partijen zijn gehuwd geweest van 2004 tot 2019 en hebben twee minderjarige kinderen. Bij beschikking van 3 oktober 2019 werd partneralimentatie vastgesteld. De man verzocht wijziging van de partneralimentatie wegens een inkomensdaling en stelde dat grievend gedrag van de vrouw hem vrijstelde van verdere betaling. Tevens verzocht hij om terugbetaling van te veel betaalde alimentatie en een schadevergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de man ontvankelijk was in zijn verzoek vanwege een gewijzigde inkomenssituatie per 1 april 2025. De partneralimentatie werd vastgesteld op €609 bruto per maand vanaf die datum. De rechtbank vond onvoldoende bewijs voor grievend gedrag dat de alimentatieplicht zou beëindigen of matigen. Het loonbeslag door de vrouw werd niet als grievend gedrag aangemerkt.

Verder werd geoordeeld dat terugbetaling van te veel betaalde alimentatie niet redelijk is, omdat de vrouw het bedrag voor levensonderhoud heeft gebruikt en geen vermogen heeft om terug te betalen. Het verzoek tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan wettelijke grondslag.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Uitkomst: Partneralimentatie wordt verlaagd naar €609 bruto per maand vanaf 1 april 2025; verzoeken over grievend gedrag, terugbetaling en schadevergoeding worden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-918
Zaaknummer: C/09/679875
Datum beschikking: 30 januari 2026

Wijziging partneralimentatie

Beschikking op het op 4 februari 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Boender-Radder te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Sarioglu te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens verzoekschrift;
- het bericht van 19 september 2025, met bijlage(n), van de man;
- het aanvullend verzoekschrift van de man van 18 november 2025;
- het bericht van 20 november 2025, met bijlage(n), van de vrouw;
- het bericht van 21 november 2025, met bijlage(n), van de man;
- het bericht van 21 november 2025, met bijlage(n), van de vrouw;
- het bericht van 2 december 2025, met bijlage(n), van de vrouw.
Op 2 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met mr. M.E.R. van Herpen – waarneemster van mr. M. Boender-Radder –, de vrouw met haar advocaat en een tolk, J. van der Hulst.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
- het bericht van 16 december 2025, met bijlage(n), van de man;
- het bericht van 23 december 2025 van de vrouw;
- het bericht van 24 december 2025 van de man;
- het bericht van 20 januari 2026 van de man.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van 13 mei 2004 tot 15 november 2019.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2019 is – voor zover hier van belang –de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 512,- per kind per maand en een partneralimentatie van bruto € 2.441,- per maand vastgesteld.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt nu – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2019 –:
partneralimentatie
-
primair: te bepalen dat met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 961,- per maand dient te voldoen en met ingang van 1 april 2025 nihil, en te bepalen dat met ingang van de datum van de beschikking - gelet op het feit dat sprake is van grievend gedrag aan de zijde van de vrouw jegens de man, zodat van hem niet gevergd kan worden dat hij nog langer een onderhoudsbijdrage aan de vrouw betaalt - de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw wordt gelimiteerd c.q. gematigd, in die zin dat de man nihil aan de vrouw verschuldigd is;
-
subsidiair:te bepalen dat de bijdrage die de man dient te voldoen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift € 961,- per maand bedraagt en per 1 april 2025 nihil;
-
meer subsidiair:een (gewijzigde) bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht, alsook de ingangsdatum te bepalen de rechtbank in goede justitie juist acht;

schadevergoeding

- te bepalen dat de vrouw gehouden is een bedrag van € 4.484,39 aan de man te voldoen als vergoeding van de schade die de man heeft geleden door de beslaglegging op verzoek van de vrouw, dan wel een schadevergoeding vast te stellen die de rechtbank in goede justitie juist acht;

terugbetalingsverplichting

-
primair:te bepalen dat de vrouw hetgeen zij te veel heeft ontvangen, zijnde € 8.768,91 en met ingang van 1 december 2025 maandelijks te verhogen met € 2.242,91 per maand zolang de vrouw beslag blijft leggen, aan de man dient terug te betalen;
-
subsidiair:te bepalen dat de vrouw hetgeen zij te veel heeft ontvangen, dient terug te betalen aan de man;
-
meer subsidiair:een beslissing te nemen ten aanzien van de terugbetaling zoals de rechtbank in goede justitie juist acht,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Opmerking vooraf
De man is tijdens de zitting in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 16 december 2025 een aantal inkomensgegevens over de jaren 2024 en 2025, voorzien van een korte toelichting daarop, te overleggen. De vrouw heeft tot en met 23 december 2025 de gelegenheid gekregen om daarop te reageren. Bij bericht van 23 december 2025 heeft de vrouw bezwaar gemaakt tegen de toelichting bij de door de man bij de overgelegde stukken van 16 december 2025. Volgens haar dient de toelichting van de man buiten beschouwing te worden gelaten, dan wel moet de vrouw een nadere termijn worden verleend om op de toelichting van de man te kunnen reageren.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor vermeld, is aan de man de ruimte gegeven om financiële stukken te overleggen, voorzien van een korte toelichting daarop. Om deze reden zal de rechtbank alleen pagina drie van de toelichting van de man buiten beschouwing laten, nu dit geen toelichting op de stukken betreft, maar een extra onderbouwing van de standpunten van de man. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om de vrouw een extra termijn te geven, nu zij bij bericht van 23 december 2025 reeds inhoudelijk heeft gereageerd op de door de man overgelegde stukken.
Grievend gedrag
De man voert als meest verstrekkende verweer aan dat in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd dat hij partneralimentatie betaalt aan de vrouw. Hij betoogt dat sprake is van dermate grievend gedrag van de vrouw jegens hem dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om nog van hem te verlangen om aan de vrouw partneralimentatie te betalen. Hiertoe voert de man onder andere aan dat de vrouw de man valselijk heeft beschuldigd van (seksueel) grensoverschrijdende handelingen richting de dochter van partijen. Verder zou de vrouw de kinderen meerdere keren en voor langere periodes de kinderen hebben onttrokken aan het gezag van de man, hulpverlening hebben geweigerd, de man gediskwalificeerd hebben als vader en de kinderen telkens het loyaliteitsconflict in hebben getrokken door hen zelf te laten bepalen wanneer en hoe vaak zij de man willen zien. Ook weigert de vrouw te communiceren met de man en is zij niet bereid om een betalingsregeling overeen te komen. In plaats daarvan is de vrouw overgegaan tot het laten leggen van loonbeslag, waardoor zij de man bij zijn werkgever in kwaad daglicht heeft gesteld. De man verwijst in dit kader naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 16 april 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:696), waarin volgens hem sprake was van een soortgelijke situatie en het hof van oordeel was dat sprake was van grievend gedrag.
De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Zij stelt dat geen sprake is van grievend gedrag van haar kant. Volgens de vrouw heeft zij nimmer de intentie gehad om zich vervelend te gedragen richting de man ten aanzien van de kinderen, maar heeft zij alleen de gevoelens van de kinderen willen weergeven. Daarnaast loopt de communicatie tussen gewezen echtgenoten na een echtscheiding vaak niet zoals je wenst en duurt dit bij partijen langer dan gemiddeld, maar dat neemt volgens de vrouw niet weg dat zij contact met de vader stimuleert, rekening houdend met de behoefte van de kinderen. Het feit dat de vrouw loonbeslag heeft laten leggen, is volgens haar ook niet grievend. De man had de partneralimentatie eigenhandig eerst verminderd en per 1 september 2025 volledig gestaakt, terwijl de vrouw wel aan haar eigen financiële verplichtingen moet blijven voldoen en eten moet blijven kopen, voor welke dingen zij volledig afhankelijk is van de partneralimentatie. Het is niet haar intentie geweest om de man financieel te schaden, aldus de vrouw.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of aan de gewezen echtgenoot een uitkering voor het levensonderhoud moet worden toegekend, en zo ja tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. De vraag die daarbij speelt, is of – in deze procedure – van de man in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten, welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 1:157 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door die ander niet langer gevergd kan worden. Daarbij geldt als criterium of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die maken dat van de alimentatieplichtige in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde te voorzien. De enkele constatering van grievend gedrag leidt niet zonder meer er toe dat de lotsverbondenheid niet langer aanwezig is. In het algemeen dient terughoudendheid te worden betracht bij de beoordeling of zich in een concreet geval een zodanige situatie voordoet, mede gelet op het onherroepelijke karakter van een beëindiging dan wel matiging van de alimentatieverplichting. Voorts dient bedacht te worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen.
De rechtbank constateert dat partijen sinds de echtscheiding zijn verwikkeld in een heftige strijd en dat de verhouding tussen partijen, ondanks dat er soms ook rustigere periodes zijn geweest, ernstig verstoord is geraakt. Tijdens de zitting is gebleken dat het verzoek van de vrouw ten aanzien van de wijziging van de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 1] voor de man de druppel is geweest die de emmer heeft doen overlopen en die hem heeft doen besluiten om bij zijn aanvullend verzoek te verzoeken om de partneralimentatie wegens grievend gedrag van de vrouw op nihil te zetten. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit verzoek van de vrouw de verhoudingen tussen partijen verder op scherp heeft gezet en dat de man zich door dit verzoek tekortgedaan voelt. Echter is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast komen te staan dat er sprake is zodanig grievend gedrag van de vrouw jegens de man dat dit beëindiging dan wel matiging van de alimentatieverplichting tot gevolg zou moeten hebben. Veel van de door de man aangevoerde punten liggen al langere tijd in het verleden en worden door de vrouw betwist, en de rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de vrouw de kinderen daadwerkelijk tegen de man zou opzetten. Het leggen van loonbeslag wegens achterstallige betalingen kan, gezien de redenen die de vrouw hiervoor heeft aangevoerd, ook niet worden aangemerkt als grievend gedrag. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van grievend gedrag waardoor de lotsverbondenheid van het huwelijk verbroken kan worden geacht.
Ontvankelijkheid
Beoordeeld dient te worden of in de onderhavige zaak sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW Pro. Er dient zich een zodanige wijziging van omstandigheden te hebben voorgedaan dat de voorgaande beschikking, waarin de onderhoudsverplichting is vastgesteld, niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
De rechtbank acht de door de man aangevoerde wijziging van omstandigheden, te weten dat hij – na het kwijtraken van de baan als Vice-president European Strategy and Corporate Substainability bij [bedrijfsnaam 1] die hij ten tijde van de voorgaande beschikking had, gevolgd door een periode waarin hij door middel van zijn eigen bedrijf ( [bedrijfsnaam 2] B.V.) zijn totale inkomen genereerde – met ingang van 1 april 2025 bij [bedrijfsnaam 3] in loondienst is (waar hij een lager inkomen heeft), een wijziging van omstandigheden als bedoeld in voormeld wetsartikel. Derhalve is de man ontvankelijk in zijn wijzigingsverzoek. Nu zich een wijzigingsgrond als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW Pro voordoet, dient de door de man te betalen partneralimentatie opnieuw te worden bezien, rekening houdende met alle ter zake dienende omstandigheden.
Inhoudelijke beoordeling
Opmerking vooraf
De rechtbank zal in haar berekening de bedragen telkens afronden op hele euro’s.
Ingangsdatum
De rechtbank ziet om proceseconomische redenen aanleiding om eerst de ingangsdatum te bepalen.
De man verzoekt te bepalen dat de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift dient te worden gewijzigd naar een bedrag van € 961,- per maand en per 1 april 2025 op nihil dient te worden gesteld. De vrouw voert hiertegen verweer.
De rechtbank stelt voorop dat zij volgens vaste rechtspraak terughoudend moet zijn bij het wijzigen van alimentatieverplichtingen over het verleden. Dergelijke wijzigingen kunnen ingrijpende financiële gevolgen hebben. Gebruikelijk is dat de ingangsdatum van een (wijziging van een) alimentatieverplichting wordt bepaald op de datum van de beschikking of op de datum van indiening van het wijzigingsverzoek. Dit kan anders zijn als er sprake is van bijzondere omstandigheden.
Gelet op de indiensttreding per 1 april 2025 van de man bij [bedrijfsnaam 3] acht de rechtbank het redelijk om die datum als ingangsdatum van te hanteren. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende vast komen te staan dat daarvoor al sprake was van een wijziging van zijn inkomen die maakt dat de bij de echtscheidingsbeschikking vastgestelde partneralimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Behoefte en aanvullende behoefte
Het geschil van partijen ziet puur op de draagkracht van de man. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zowel de behoefte als de aanvullende behoefte van de vrouw thans geïndexeerd naar 2025 (het jaar per wanneer door de man wijziging van de alimentatie is verzocht) € 4.945,- netto per maand bedraagt.
Draagkracht man
De rechtbank gaat voor de berekening van de draagkracht van de man uit van een bruto maandinkomen van € 7.690,- en een functie toelage van € 579,- per maand, zoals volgt uit de door de man overgelegde salarisstroken van augustus 2025 tot en met oktober 2025. De rechtbank houdt verder rekening met de vakantietoeslag, een dertiende maand van € 744,- per maand en een ingehouden pensioenpremie van € 713,- per maand. Verder blijkt uit de door de man overgelegde salarisstroken een reservering flexbudget. Uit hetgeen de man op zitting heeft verteld, begrijpt de rechtbank dat het om een flexibel budget gaat waarvan de man zelf kan bepalen hoe hij dit inzet (waaronder uitkering van het bedrag, zoals de man in augustus 2025 en september 2025 voor een bedrag van € 500,- per keer heeft gedaan). De rechtbank zal daarom bij de berekening van de draagkracht van de man ook rekening houden met een flexbudget van € 555,- per maand (de reservering van het flexbudget op de salarisstrook van oktober 2025 van € 774,-verminderd met de reservering van het flexbudget op de salarisstrook van september 2025 van € 219,-).
Daarnaast is de man aandeelhouder van [bedrijfsnaam 2] B.V., vanuit welke B.V. hij werkzaamheden verricht. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de man, nadat hij per 1 april 2025 bij [bedrijfsnaam 3] in loondienst is gegaan, met de B.V. in het tweede kwartaal van 2025 een omzet had van € 26.153,- heeft gedraaid en de B.V. ook in het derde kwartaal nog een omzet van € 6.241,- heeft behaald. In de tweede eerste maanden het vierde kwartaal heeft de man een omzet van € 1.800,- met de B.V. behaald. Nu de man niet heeft toegelicht waar deze verschillen in omzet van de B.V. (gedurende zijn werkzame tijd bij [bedrijfsnaam 3] ) vandaan komen, acht de rechtbank het redelijk om ervan uit te gaan dat de man in ieder geval staat is om - naast zijn werkzaamheden bij [bedrijfsnaam 3] - met zijn onderneming een dermate hoge omzet te genereren dat hij, zoals hij sinds zijn indiensttreding bij [bedrijfsnaam 3] ook heeft gedaan, een bedrag van € 2.000,- per maand aan loon aan zichzelf kan blijven betalen. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de bepaling van de draagkracht van de man.
Voor zover de vrouw heeft willen betogen dat aan de man een hogere verdiencapaciteit kan worden toegedicht dan hetgeen hiervoor is opgenomen, zal de rechtbank dit niet volgen. Gelet op hetgeen de man heeft aangevoerd omtrent de strengere regelgeving voor ZZP’ers en de intensiviteit van het vele reizen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet langer van de man worden verwacht dat hij de werkzaamheden die hij in de onderneming verricht(te), op dezelfde wijze als voorheen blijft voortzetten. Daarnaast ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een 40-urige werkweek, nu de man ook een deel van de zorg voor de kinderen draagt.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 6.638,- per maand.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de expertgroep de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)] toepassen. Hieruit volgt een draagkracht van € 2.002,- per maand. Daarop wordt door de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van de kinderen, door de man berekent op € 1.621,- per maand, in mindering gebracht.
Dit betekent dat er (2.002 – 1.621=) € 381,- netto per maand beschikbaar is voor partneralimentatie. Dat is € 609,- bruto per maand.
Conclusie
Gelet op bovenstaande, zal de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 april 2025 bepalen op € 609,- bruto per maand bepalen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank zal de draagkrachtberekening van de man aan deze beschikking hechten.
Geen terugbetalingsverplichting
Door de beslissing van de rechtbank om de alimentatie te wijzigen met ingang van 1 april 2025, heeft de man vanaf 1 april 2025 tot heden te veel partneralimentatie betaald. Volgens vaste rechtspraak moet de rechter die een onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht verlaagt, steeds beoordelen in hoeverre het redelijk is om een terugbetalingsverplichting op te leggen. Dit moet de rechter doen aan de hand van dat wat tijdens de procedure is gebleken.
De rechtbank acht het in de onderhavige zaak niet redelijk als de vrouw de reeds door haar ontvangen partneralimentatie aan de man moeten terugbetalen. De vrouw heeft in de stukken en tijdens de zitting toegelicht dat de alimentatie al is gebruikt voor levensonderhoud voor haarzelf en de kinderen en dat ze geen vermogen heeft om een bedrag terug te betalen, terwijl de man tijdens de zitting heeft aangegeven dat er op dit moment bij hem nog geen betalingsproblemen zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom bepalen dat op de vrouw geen terugbetalingsverplichting rust ten aanzien van de te veel ontvangen partneralimentatie in de periode van 1 april 2025 tot heden.
Schadevergoeding
Voor zover bij de rechtbank bekend is, bestaat er geen wettelijke grondslag om in de onderhavige (verzoekschrift)procedure een verzoek tot schadevergoeding te kunnen doen. De man heeft deze grondslag desgevraagd ook niet kunnen geven. Het verzoek van de man ten aanzien van een door de vrouw te betalen schadevergoeding zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2019 – :
bepaalt de door de man met ingang van 1 april 2025 te betalen partneralimentatie op € 609,- bruto per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
bepaalt dat op de vrouw geen terugbetalingsverplichting rust ten aanzien van de te veel ontvangen alimentatie in de periode 1 april 2025 tot heden;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek ten aanzien van een door de vrouw te betalen schadevergoeding;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 januari 2026.