ECLI:NL:RBDHA:2026:4050

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
1 maart 2026
Zaaknummer
C/09/688927 / JE RK 25-1289
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling minderjarige wegens onvoldoende gronden

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een minderjarige, vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie en het verergerde scheidingsconflict tussen de ouders. De Raad stelde dat er geen hulpverlening was ingezet en dat het contact tussen de minderjarige en haar vader en broertjes ernstig verstoord was.

Tijdens de zitting waren de ouders, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig. De minderjarige is gehoord en gaf haar visie op de situatie. De moeder en vader waren tegen het verzoek en gaven aan dat zij de situatie zonder ondertoezichtstelling aankunnen en niet openstaan voor systemische hulpverlening.

De kinderrechter constateerde dat er geen vaste jeugdbeschermer betrokken was en dat er geen hulpverlening was gestart. Desondanks is de situatie verbeterd: de minderjarige volgt lessen op een nieuwe school, heeft een bijbaan en onderhoudt contact met haar vader en broer. De ouders accepteren de huidige situatie, waardoor er rust is ontstaan.

Gezien deze omstandigheden en het ontbreken van motivatie voor hulpverlening acht de kinderrechter een ondertoezichtstelling niet van toegevoegde waarde en wijst het verzoek af. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige is afgewezen wegens onvoldoende gronden en het ontbreken van motivatie voor hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/688927 / JE RK 25-1289
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing ondertoezichtstelling
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 6 augustus 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 6 augustus 2025 tot 6 februari 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 6 augustus 2025 met de daarin genoemde stukken;
- het rapport van de Raad van 21 januari 2026.
1.3.
Op 29 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [naam 1] , namens de Raad;
- [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, met toestemming met [minderjarige] , samengevat wat zij heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de voornoemde beschikking van 6 augustus 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad handhaaft het verzoek om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de resterende duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. De afgelopen periode is het de Raad niet gelukt om in contact te komen met de gecertificeerde instelling en de jeugdreclassering. Ook de vader en de moeder hebben aangegeven geen contact te hebben gehad met de gecertificeerde instelling. Op 17 december 2025 heeft de Raad van de gecertificeerde instelling vernomen dat er geen hulpverlening is ingezet voor [minderjarige] . Daarnaast is er nog geen plan van aanpak gemaakt. De Raad acht een ondertoezichtstelling voor het aangehouden deel van zes maanden noodzakelijk. [minderjarige] groeit op in een situatie waarbij het scheidingsconflict van de ouders met de jaren is verergerd. Op dit moment is er sprake van (dreigend) contactverlies tussen [minderjarige] en de vader, haar halfzusje vaderszijde en haar broertje. Volgens de Raad zijn de zorgen over de opvoedsituatie nog steeds ernstig, ondanks dat het dagelijks leven van [minderjarige] (school, werk, vrienden) minder zorgelijk lijkt te zijn. Zo is zij nu gemotiveerd voor school en heeft zij een bijbaan. Wel kan [minderjarige] zich moeilijk concentreren op school en is zij snel afgeleid. De zorgen over het contact tussen [minderjarige] en de vader, haar halfzusje vaderszijde en haar broertje zijn groter geworden, omdat deze situatie vanwege het ontbreken van hulp en interventies langer voortduurt. Daarnaast zijn er nog onverminderde zorgen over de communicatie tussen de vader en de moeder. De door de Raad geadviseerde hulpverlening voor de ouders en [minderjarige] individueel is niet ingezet en de gecertificeerde instelling en de ouders hebben dit niet zelf opgepakt.
3.3.
Ter zitting roept de Raad de vader en de moeder op om te kijken wat zij zelf kunnen doen om de situatie van [minderjarige] te verbeteren. Verder gunt de Raad het gezin systemische hulpverlening, zodat het contact tussen de vader en de moeder verbetert en de kinderen vrijelijk omgang met beide ouders kunnen hebben.

4.De standpunten

4.1.
De moeder staat niet achter een ondertoezichtstelling. Zij geeft aan het prima te redden zonder de betrokkenheid van de jeugdreclassering en de gecertificeerde instelling. De moeder staat niet open voor systemische hulpverlening. [minderjarige] heeft nu rust en dat wil de moeder behouden. [minderjarige] heeft een vervelende periode achter de rug, maar de moeder merkt een verandering in haar gedrag. [minderjarige] heeft de situatie met de vader een plek gegeven. Verder heeft [minderjarige] contact met haar broertje via Snapchat en spreekt zij samen met haar oudere broer met hem af. Op school doet [minderjarige] het goed.
4.2.
De vader staat niet achter een ondertoezichtstelling. Het heeft volgens de vader geen zin om hulpverlening in te zetten ter verbetering van de onderlinge relatie van de vader en de moeder. Dat is een gepasseerd station. De deur van de vader staat altijd open voor [minderjarige] . Hij vindt het jammer om in de rapporten te lezen hoe er over hem gedacht wordt. De vader heeft voor de school toestemming gegeven. Dat dit vervolgens anders is verlopen komt niet door hem, maar wordt wel in zijn schoenen geschoven. De vader vindt het jammer hoe het is gelopen met de gecertificeerde instelling. Hij heeft zich bij de situatie neergelegd. Hij hoopt op een mooie toekomst voor [minderjarige] .
4.3.
De gecertificeerde instelling refereert aan het oordeel van de kinderrechter. De gecertificeerde instelling heeft verzuimd om een passende jeugdbeschermer te betrekken in het gezin. Enerzijds is er nu rust binnen het gezin. Anderzijds heeft ieder kind het recht op een stabiele opvoedsituatie met daarin vrij contact met broers en zussen. De gecertificeerde instelling begrijpt in dit kader de wens van de Raad om systemische hulp in te zetten. Voor een effectieve inzet hiervan is het echter noodzakelijk dat het gezin gemotiveerd is om mee te werken.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor een ondertoezichtstelling, genoemd in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), niet meer, althans onvoldoende, aanwezig zijn. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
De kinderrechter constateert dat er in de afgelopen periode geen vaste jeugdbeschermer betrokken is geweest bij het gezin, waardoor er tot op heden geen hulpverlening is ingezet. Toch is de positieve lijn, die tijdens de vorige zitting al was ingezet, voortgezet. [minderjarige] heeft de afgelopen periode lessen gevolgd op [school] in Delft en volgt op dit moment haar (praktijk)lessen grotendeels op haar nieuwe stamschool in Delft. [minderjarige] heeft het naar haar zin op deze school. Ook werkt [minderjarige] nog bij het Kruidvat. Daarnaast heeft [minderjarige] appcontact met de vader en heeft zij sinds kort weer contact met haar broer [naam 3] . De huidige situatie lijkt op dit moment de hoogst haalbare te zijn. Zowel [minderjarige] als de vader en de moeder lijken de situatie zoals deze nu is te accepteren, waardoor er rust is ontstaan. De ouders staan op dit moment niet open voor systemische hulp. Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter een ondertoezichtstelling niet van toegevoegde waarde. Daarom zal het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] worden afgewezen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 6 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.