ECLI:NL:RBDHA:2026:3999

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694229 / JE RK 25-1895
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling van minderjarige kinderen wegens ontwikkelingsbedreiging door complexe echtscheidingsproblematiek

De kinderrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 14 januari 2026 besloten om twee minderjarige kinderen, geboren in 2014 en 2016, onder toezicht te stellen van Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland voor de duur van een jaar.

De beslissing volgt op een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming en is genomen na een gecombineerde zitting waarin ook de echtscheidingsprocedure met nevenvoorzieningen werd behandeld. De kinderen zijn voorafgaand aan de zitting in raadkamer gehoord.

De kinderrechter constateert ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen, veroorzaakt door de complexe echtscheidingsproblematiek tussen de ouders die niet in staat zijn positief te communiceren. Dit heeft geleid tot dreigend contactverlies met de vader en het niet naleven van een voorlopige zorgregeling.

Gezien de signalen van verschillende instanties en het wantrouwen van de moeder jegens hulpverleners, acht de kinderrechter vrijwillige hulpverlening onvoldoende. Daarom wordt een jeugdbeschermer betrokken om de problematiek te monitoren en passende hulpverlening in te zetten.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden door de betrokken partijen worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige kinderen onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland voor de duur van een jaar wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/694229 / JE RK 25-1895
Datum uitspraak: 28 januari 2026

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 6 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden, hierna te noemen: de Raad,
betreffende:
- [minderjarige 1] ,geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.F. van Galen in Alphen aan den Rijn.

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.N. Sardjoe in ’s-Gravenhage,
De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

Bij beschikking van 5 december 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank is het verzoek tot ondertoezichtstelling aangehouden tot aan de mondelinge behandeling van de echtscheidingsprocedure op 14 januari 2026.
De kinderrechter heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder ook voornoemde beschikking van 5 december 2025.
Op 14 januari 2026 heeft de kinderrechter de zaak op de zitting met gesloten deuren van deze rechtbank voortgezet in de vorm van een
gecombineerde behandelingvan zowel onderhavig verzoek als de verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen (C/09/685620 JE RK 25-1895). Op laatstgenoemde verzoeken wordt bij afzonderlijke beschikking beslist. Daarbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 1] en [naam 2] namens de Raad;
  • [naam 3] namens de gecertificeerde instelling.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn voorafgaand aan de zitting in raadkamer gehoord.

Beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter heeft ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tussen de ouders is sprake van complexe echtscheidingsproblematiek en zij maken daarbij veel verwijten naar elkaar. De ouders staan in hun verhalen lijnrecht tegenover elkaar en blijken niet in staat met elkaar op een positieve manier te kunnen communiceren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden hierdoor – ongewild – betrokken in de strijd tussen de ouders. Dit heeft er onder andere toe geleid dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangeven niet meer naar de vader te willen, waardoor sprake is van dreigend contactverlies. Ondanks dat er een voorlopige zorgregeling is vastgelegd bij beschikking van 14 oktober 2025 van deze rechtbank, en de moeder bij vonnis van 2 december 2025 van deze rechtbank is veroordeeld tot nakoming van de voorlopige zorgregeling op straffe van een dwangsom, heeft nakoming tot op heden niet plaatsgevonden. Dit alles samen met de geuite zorgen van de verschillende instanties en de signalen die de kinderen laten zien, vindt de kinderrechter dermate zorgelijk en ernstig, dat zij van oordeel is dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De kinderrechter gunt het [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij zorgeloos in het leven kunnen staan en niet belast worden met ‘gedoe’ tussen de ouders. Mede gelet op de ervaringen de afgelopen tijd met de vrijwillige hulpverlening en daarbij weigerende en wantrouwende houding van de moeder, is de kinderrechter van oordeel dat de ouders op dit moment onvoldoende in staat zijn om onder de eigen verantwoordelijkheid en in het vrijwillig kader de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De kinderrechter vindt het daarbij een zorgelijk signaal dat de huisarts, de school van de kinderen, Veilig Thuis en de Raad volgens de moeder allemaal niet objectief zijn. Hoewel het zichtbaar is dat beide ouders op een eigen manier hun best doen voor de kinderen, is de kinderrechter van oordeel dat dit onvoldoende is om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. De kinderrechter vindt het daarom belangrijk dat er een jeugdbeschermer betrokken raakt om een compleet beeld te krijgen van de problematiek en de invloed daarvan op de ontwikkeling van de kinderen, om zo de benodigde hulpverlening in te zetten. Het is belangrijk dat de ouders leren omgaan met hun eigen en onderlinge problemen en handvatten aangereikt krijgen die hen leren hiermee om te gaan zonder daarmee de kinderen te belasten. Ten slotte vraagt de kinderrechter de ouders zich rekenschap te geven van de gevolgen die hun onderlinge strijd op (het welzijn van) de kinderen heeft en roept hen op de belangen van de kinderen boven hun eigen belangen te gaan en blijven stellen.
Gelet op het bovenstaande, stelt de kinderrechter daarom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.

Beslissing

De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 14 januari 2026 tot 14 januari 2027 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026 door mr. G. van Zeben-de Vries, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Knops als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 januari 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.