ECLI:NL:RBDHA:2026:3981

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 februari 2026
Zaaknummer
C/09/672511 / FA RK 24-6627
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling zorg- en opvoedingstaken minderjarige met behoud voorlopige regeling

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de moeder om de zorgregeling voor de minderjarige aan te passen, waarbij zij wilde dat de minderjarige eens per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader zou verblijven. De moeder stelde dat de vader de voorwaarden van de voorlopige zorgregeling niet naleefde en dat de overdrachten niet goed verliepen, met name het ophalen van de minderjarige op vrijdag uit school.

De vader voerde verweer en uitte zorgen dat een wijziging zou leiden tot eenzijdige stopzetting van de zorgregeling door de moeder. De rechtbank nam kennis van de situatie, waaronder het feit dat er sinds november 2024 geen incidenten meer waren en dat de minderjarige zelf aangaf de huidige regeling prettig te vinden.

De rechtbank oordeelde dat het in het belang van de minderjarige is om de voorlopige zorgregeling te handhaven, waarbij de minderjarige eens per twee weken van vrijdagmiddag tot zondagmiddag bij de vader verblijft. De overdracht op vrijdag blijft gehandhaafd, ondanks de moeizame verstandhouding tussen de ouders, omdat een overdracht zonder communicatie niet in het belang van het kind is.

Verder spoorde de rechtbank de vader aan om hulp te zoeken voor zijn emotieregulatie en verzocht hem te stoppen met intimiderende nachtelijke berichtjes aan de moeder. De rechtbank benadrukte het belang van een zakelijke en constructieve communicatie tussen de ouders in het belang van de minderjarige.

De proceskosten worden door partijen ieder voor eigen rekening gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot wijziging van de zorgregeling af en stelt de voorlopige regeling definitief vast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-6627
Zaaknummer: C/09/672511
Datum beschikking: 28 januari 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 16 september 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. R.A.M. Verlijsdonk-Gerards te Eindhoven, die zich inmiddels heeft onttrokken.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

Bij beschikking van 13 december 2024 van deze rechtbank is:
  • het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag afgewezen;
  • bepaald dat [minderjarige]
- een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17.00 uur;
waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag uit school haalt en de moeder [minderjarige] op zondag bij de moeder van de vader ophaalt;
  • aan de moeder toestemming – welke toestemming die van de vader vervangt – verleend om [minderjarige] aan te melden voor speltherapie;
  • aan de moeder toestemming – welke toestemming die van de vader vervangt – verleend om [minderjarige] aan te melden voor de training van [hulpverlener] ;
  • iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de proceskosten aangehouden tot 1 juni 2025 pro forma.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
- het F9-formulier van de moeder van 28 mei 2025, met bijlagen.
Op 31 december 2025 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder;
  • de vader;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Verzoek en verweer

Het verzoek van de moeder strekt er na wijziging nog toe:
- een zorgregeling vast te stellen in die zin dat [minderjarige] eens per twee weken naar haar vader gaat van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vader heeft ter zitting verweer gevoerd.

Beoordeling

Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a tweede lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft haar verzoek gewijzigd en verzoekt om een zorgregeling vast te stellen in die zin dat [minderjarige] eens per twee weken naar haar vader gaat van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur. Volgens de moeder leeft de vader de voorwaarden voor de tijdelijke zorgregeling niet na en verlopen de overdrachten niet goed. Zij vindt het niet in het belang van [minderjarige] dat de vader haar op vrijdag ophaalt uit school. Hij toont geen betrokkenheid op school, zegt geen gedag tegen andere ouders en kijkt boos. [minderjarige] krijgt daar opmerkingen over van andere kinderen. Dat is niet in haar belang. Ook is de vader niet flexibel gebleken op de momenten dat er sociale aangelegenheden van [minderjarige] zijn op de vrijdagmiddagen. Verder heeft de vader tot twee keer toe politie naar de school gestuurd. Dit alles maakt dat de voorlopige regeling aangepast moet worden, aldus de moeder.
De vader heeft op de zitting verweer gevoerd. Hij is bang dat een wijziging ertoe zal leiden dat de moeder opnieuw eenzijdig de zorgregeling zal stopzetten. Op dit moment haalt hij [minderjarige] immers op van school, maar bij een overdrachtsmoment op de zaterdag is hij afhankelijk van de wil van de moeder. Verder heeft de vader aangegeven dat hij goed contact heeft met de conciërge van de school van [minderjarige] .
De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om de voorlopige zorgregeling te wijzigen en acht dat ook niet in het belang van [minderjarige] . Kort na de vorige zitting in november 2024 zijn er twee incidenten geweest, waarbij de vader de politie heeft gebeld. In het afgelopen halfjaar zijn er echter geen incidenten meer geweest en verloopt de zorgregeling beter. [minderjarige] heeft tijdens haar gesprek met de kinderrechter verteld dat zij de zorgregeling prettig vindt en dat zij deze niet wil aanpassen. De moeder heeft aangegeven dat het overdrachtsmoment op de zaterdag plaats zou kunnen vinden bij een tankstation van Shell, waarbij [minderjarige] van de auto van de moeder naar de auto van de vader loopt zonder dat de ouders met elkaar communiceren. Een dergelijke overdracht acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . Gezien de moeizame verstandhouding tussen de ouders verdient het de voorkeur om de overdrachtsmomenten zoveel mogelijk te beperken. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de voorlopige zorgregeling te wijzigen. Zij zal daarom de voorlopige zorgregeling definitief vaststellen. De rechtbank verwacht wel van de vader dat hij het faciliteert als [minderjarige] tijdens de weekenden dat zij bij hem is naar sociale uitjes met leeftijdsgenootjes of familie wil gaan.
Indien sprake is van familiebezoek zullen partijen in dat geval in onderling overleg moeten afspreken wanneer deze dag gecompenseerd wordt. [minderjarige] zou bijvoorbeeld in een vakantie een dag langer bij de vader kunnen verblijven.
Op de zitting is daarnaast de verstandhouding tussen de ouders besproken. De vader had tijdens de voorgaande zitting toegezegd dat hij zijn huisarts zou benaderen voor hulpverlening voor zijn emotieregulatie. De rechtbank betreurt het dat hij zich niet aan deze afspraak heeft gehouden en spoort hem aan dit alsnog te doen. De moeder heeft aangegeven dat zij nog steeds last heeft van de berichtjes die de vader naar haar stuurt, ook al bevatten deze geen bedreigingen meer. Voor zover de vader in de nacht berichtjes stuurt naar de moeder verwacht de rechtbank daarom dat hij daarmee stopt, omdat dit intimiderend overkomt. Volgens de vader is het vertrouwen tussen de ouders onherstelbaar beschadigd. De Raad heeft de ouders op de zitting aangeraden om toch te zoeken naar een wijze waarop zij op een zakelijke en constructieve manier over [minderjarige] kunnen communiceren. Naarmate zij ouder wordt, wordt het gebrek aan communicatie tussen de ouders namelijk steeds problematischer. De rechtbank drukt de ouders daarom op het hart om over dit advies van de Raad na te denken en te zoeken naar een werkbare vorm van communicatie.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 13 december 2024– :
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] bij de vader zal zijn:
- een weekend per veertien dagen, van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17.00 uur;
waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag uit school haalt en de moeder [minderjarige] op zondag bij de moeder van de vader ophaalt;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 januari 2026.