Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:3973

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
26-77
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 8:81 AwbArt. 5:7 AwbArt. 11.27 BalArt. 11.37 Bal
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen werkzaamheden in recreatiegebied Vlietland wegens mogelijke overtreding beschermde diersoorten

Verzoekster, Vereniging Vrienden van Vlietland, heeft een preventief handhavingsverzoek ingediend tegen werkzaamheden die belanghebbende wil uitvoeren in het recreatiegebied Vlietland. Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland wees dit verzoek af, waarna verzoekster bezwaar maakte en een voorlopige voorziening vroeg om de werkzaamheden stil te leggen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege het risico op onomkeerbare schade aan beschermde diersoorten zoals boommarter, steenmarter, vleermuizen en diverse beschermde vogels. Hoewel het college stelt dat de werkzaamheden grotendeels afgerond zijn en een vergunningplicht niet geldt, blijkt uit onderzoek en foto’s dat er wel degelijk bomen zijn gekapt, wat afwijkt van de ecologische onderbouwing.

De ecologische rapporten vertonen tegenstrijdigheden en omissies, onder meer doordat niet alle beschermde soorten adequaat zijn meegenomen en het werkprotocol niet volledig aansluit bij de feitelijke werkzaamheden. Hierdoor is twijfel gerezen over de zorgvuldigheid en deugdelijkheid van het besluit van het college.

De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van verzoekster bij het voorkomen van schade aan beschermde natuurwaarden zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij voortzetting van de werkzaamheden. Daarom wordt het besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar en moeten de werkzaamheden per direct worden stilgelegd. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster.

Uitkomst: Het college moet de werkzaamheden in Vlietland per direct stilleggen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar vanwege twijfel over ecologische onderbouwing en mogelijke overtreding beschermde diersoorten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/77

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2026 in de zaak tussen

Vereniging Vrienden van Vlietland, te Leidschendam, verzoekster

(gemachtigde: mr. D. Delibes-Vermeulen),
en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, het college

(gemachtigden: mr. B.H.A.J. Mariën en mr. drs. A. Pap).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Dutch Lake Residence C.V., te Maassluis, belanghebbende
(gemachtigde: mr. drs. Y. Sela).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van een door verzoekster ingediend (preventief) handhavingsverzoek tegen werkzaamheden die belanghebbende wenst uit te voeren in het recreatiegebied Vlietland. Verzoekster heeft daar bezwaar tegen gemaakt en heeft de voorzieningenrechter gevraagd de werkzaamheden bij wijze van voorlopige voorziening te laten staken. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Het college moet de werkzaamheden per direct stilleggen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekster zwaarder dan het belang van belanghebbende om de werkzaamheden nu voorafgaand aan de beslissing op bezwaar uit te voeren. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 19 mei 2025 heeft verzoekster het college verzocht preventief handhavend op te treden tegen de werkzaamheden die belanghebbende naar verwachting uit zal voeren in het recreatiegebied Vlietland, omdat daardoor de verbodsbepalingen ten aanzien van ter plaatse aanwezige beschermde diersoorten dreigen te worden overtreden.
2.1.
Met het bestreden besluit van 24 december 2025 heeft het college dit handhavingsverzoek afgewezen
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Op 13 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een ordemaatregel afgewezen.
2.3.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft hierop desgevraagd gereageerd. Belanghebbende heeft ook een reactie ingediend.
Het college en verzoekster hebben nadere stukken overgelegd.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, vergezeld door [naam 1] en [naam 2], de gemachtigden van het college, vergezeld door [naam 3], en de gemachtigde van belanghebbende, vergezeld door [naam 4].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening zich onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
3.1.
Volgens verzoekster is het spoedeisend belang van de door haar gevraagde voorlopige voorziening gelegen in het voorkomen van onomkeerbare schade aan natuurwaarden, waaronder aan leefgebied van beschermde soorten, zoals de boommarter, steenmarter, bosuil, ransuil, sperwer, buizerd, boomvalk, havik en meerdere vleermuissoorten.
3.2.
Het college betwijfelt of sprake is van een spoedeisend belang, omdat de op dit moment in uitvoering zijnde onderhoudswerkzaamheden grotendeels zijn afgerond en er nog geen concrete werkzaamheden zijn gestart of gepland die betrekking hebben op het project Vlietland, dat onder meer bestaat uit het vergraven van watergangen, het realiseren van recreatiewoningen, het omleggen van de Rietpolderweg, het aanpassen van een parkeerterrein, het opbrengen van grond en het plaatsen van verlichting. Alvorens nieuwe activiteiten te verrichten, zal aan de hand van een actueel natuuronderzoek worden beoordeeld of voor dit project een vergunningplicht geldt voor een flora- en fauna-activiteit.
3.3.
In de e-mail van belanghebbende van 5 februari 2026 aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) is vermeld dat in week 7 (9 t/m 13 februari 2026) in de vakken 10, 13 en 14 nog werkzaamheden plaatsvinden en in week 8 (16 t/m 20 februari 2026) nog in de vakken 1, 2 en 3. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat bij nader inzien toch niet in vak 3 zal worden gewerkt, nu in het Logboek ecologisch werkprotocol over vak 3 is opgemerkt dat het te ingrijpend is om hier onderhoud toe te passen, omdat niet valt uit te sluiten dat onderhoud in dit vak teveel impact heeft op de boommarters. Voor het overige zal de planning zoals beschreven in de e-mail worden aangehouden.
3.4.
Aangezien is gebleken dat op dit moment in de vakken 13 en 14 werkzaamheden worden uitgevoerd en in week 8 in de vakken 1 en 2, heeft verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening waarmee de werkzaamheden in die vakken worden stilgelegd.
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten,
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
4.1.
In artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van Pro de Vogelrichtlijn, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels.
4.2.
In artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bal is bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn,.
4.3.
In artikel 11.54, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bal is bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A.
4.4.
De bosuil, ransuil, sperwer, buizerd, boomvalk en havik zijn van nature in Nederland in het wild levende soorten als bedoeld in artikel 1 van Pro de Vogelrichtlijn, zodat artikel 11.37 van het Bal op deze soorten van toepassing is.
Alle in Nederland voorkomende soorten vleermuizen zijn wettelijk beschermd onder de Habitatrichtlijn, zodat artikel 11.46 van het Bal op deze soorten van toepassing is.
De boommarter, steenmarter en eekhoorn zijn genoemd in bijlage IX, onder A, zodat artikel 11.54 van het Bal op deze soorten van toepassing is.
4.5.
Op grond van artikel 5:7 van Pro de Awb kan een herstelsanctie worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.
Bestreden besluit
5. In het bestreden besluit van 24 december 2025 is overwogen dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat sprake is van een gevaar van overtreding die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden. Handhaving is dan ook niet noodzakelijk. Daarbij betrekt het college dat belanghebbende de OZHZ op 2 december 2025 heeft gemeld voornemens te zijn onderhoudswerkzaamheden uit te voeren ten aanzien van de lage beplanting van de bosschages in enkele vakken in het projectgebied. Alvorens deze reguliere onderhoudswerkzaamheden uit te voeren, is ecologisch onderzoek uitgevoerd en zijn door ecologen inspecties verricht. Daaruit is geconcludeerd dat de onderhoudswerkzaamheden niet leiden tot een vergunningplicht voor een flora- en fauna-activiteit. Specifiek ten aanzien van boommarters zijn geen geschikte verblijf- of rustplaatsen aangetroffen in de bosschages. Onder meer op 6 december 2025 en 17 december 2025 hebben inspecteurs van de OZHZ de projectlocatie bezocht. Bij deze controles zijn geen overtredingen geconstateerd. Buiten de gemelde reguliere onderhoudswerkzaamheden zijn geen andere activiteiten waargenomen.
Is sprake van een (dreigende) overtreding?
6. Verzoekster betoogt dat niet is uitgesloten dat de voortzetting van de werkzaamheden leidt tot overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet. Gelet op de aard van de werkzaamheden, het oordeel van deskundige H. van Daalen - die op 11 december 2025 tijdens een onderzoek ter plaatse heeft geconstateerd dat de ecologisch meest waardevolle houtige gewassen zijn verwijderd - alsmede de tot nog toe onbestreden aanwezigheid van beschermde vogelsoorten en zoogdieren in het gebied, is sprake van activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren. Daarmee is naar de mening van verzoekster sprake van een vergunningplichtige activiteit zonder dat daarover wordt beschikt. Daarnaast kan het bestreden besluit volgens verzoekster geen stand houden, omdat niet is ingegaan op een vermeende klaarblijkelijke dreiging van een overtreding van de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 11.27 van het Bal.
6.1.
In de Natuurtoets van Antea Group (Antea) van 31 oktober 2025, die is uitgevoerd voor het planvoornemen om verblijfsrecreatie te creëren in het noorden van recreatiegebied Vlietland, is op pagina 11 vermeld dat voor vleermuizen drie functies van het leefgebied van groot belang zijn, te weten: verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Tijdens het terreinbezoek is een boom met holtes aangetroffen, die geschikt kan zijn als verblijfplaats voor boom-bewonende vleermuizen. Overige geschikte bomen met verblijfplaatsen voor boom-bewonende soorten kunnen in (de directe omgeving van) het plangebied niet worden uitgesloten. Binnen het planvoornemen worden er geen bomen gekapt, waardoor potentiële verblijfplaatsen van boom-bewonende soorten niet fysiek worden aangetast, aldus de Natuurtoets.
6.2.
Op pagina 14 van de Natuurtoets staat dat het plangebied geschikt habitat voor boommarters en steenmarters bevat. Binnen het plangebied zijn struwelen en takkenhopen aanwezig waar marterachtigen een verblijfplaats kunnen hebben. Tevens zijn er voldoende mogelijkheden voor marterachtigen om te foerageren binnen het plangebied, aangezien prooidieren van marterachtigen, waaronder veldmuizen en woelmuizen, ook kunnen voorkomen. In 2023 is er onderzoek gedaan naar de boommarter en steenmarter binnen het plangebied, waaruit naar voren is gekomen dat de boommarter aanwezig is in het gebied. In de Natuurtoets is vermeld dat verblijfplaatsen en andere elementen van de boommarter behouden blijven binnen het planvoornemen, omdat er geen bomen of opstaande vegetatie verwijderd worden. Datzelfde geldt blijkens pagina 15 van de Natuurtoets voor de eekhoorn.
6.3.
In de memo Ecologische vrijgave onderhoudswerkzaamheden Vlietland van Antea van 3 december 2025 is vermeld dat de onderhoudswerkzaamheden enkel bestaan uit het onderhoud van de onderbeplanting in de bosschages. Er zullen geen bomen worden gekapt of worden aangetast. Omdat er geen bomen gekapt zullen worden in de vakken, zullen potentiële nesten van eekhoorns en boommarters in de bomen geen hinder ondervinden. Ook worden door de werkzaamheden in de vakken geen essentiële onderdelen, zoals verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en foerageergebieden, van vleermuizen aangetast, waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten. Door het behoud van de bomen blijft bovendien het mogelijk aanwezige jaarrond beschermde (sperwer)nest onaangetast, blijft het nest functioneel en blijft het functionele leefgebied behouden.
6.4.
De voorzieningenrechter stelt gelet op het voorgaande vast dat in het ecologisch onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, en bepalend is voor het standpunt van het college dat van een (dreigende) overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet geen sprake is, ervan is uitgegaan dat bij de onderhoudswerkzaamheden geen bomen worden gekapt. Gelet op de door verzoekster overgelegde foto’s en de toelichting op zitting is echter gebleken dat er bij de tot nu uitgevoerde werkzaamheden wel degelijk bomen zijn gekapt. In sommige gevallen betreft het bomen met een stamomtrek van ruim 90 cm. Er is dan ook afgeweken van wat in het ecologisch onderzoek van belang werd geacht om (potentiële) verblijfplaatsen en nesten van voornoemde soorten te beschermen.
6.5.
Daarnaast blijkt uit figuur 2.4 van het rapport Beoordeling geschikt leefgebied boommarter van Antea van 10 januari 2025 dat vak 1 als geschikt en de vakken 2 en 3 als zeer geschikt leefgebied voor een boommarter zijn aangemerkt. In paragraaf 2.3 (Effectbeoordeling) van dit rapport is vermeld dat aantasting van de geschikte delen van het plangebied mogelijk een effect hebben op de aanwezigheid van de boommarter. Deze delen kunnen mogelijk verwijderd worden onder ecologische begeleiding van een deskundige ecoloog met bewezen ervaring over de boommarter. Aantasting van de zeer geschikte leefgebieden leidt tot significant negatieve effecten op de boommarter. Aantasting binnen deze delen is gekoppeld aan de vergunningplicht, aldus dit rapport.
6.6.
De voorzieningenrechter stelt echter vast dat in het Logboek ecologisch werkprotocol is vermeld dat vak 1 is vrijgegeven en dat in vak 2 onder begeleiding van een ecoloog werkzaamheden mogen worden uitgevoerd, terwijl vak 1 dus als geschikt leefgebied is aangemerkt voor de boommarter (waar volgens voornoemd rapport begeleiding door een ecoloog noodzakelijk is) en vak 2 als zeer geschikt leefgebied (waar aantasting in het rapport wordt beoordeeld als vergunningplichtig).
6.7.
Daarnaast heeft het Ecologisch werkprotocol van Antea van 22 april 2025 alleen betrekking op boommarters en broedvogels en niet op vleermuizen en eekhoorns, die blijkens de Natuurtoets van 31 oktober 2025 ook in het gebied aanwezig zijn.
6.8.
Deze tegenstrijdigheden en omissies in de ecologische onderbouwing van het bestreden besluit roepen naar het oordeel van de voorzieningenrechter de vraag op of het standpunt van het college dat geen sprake is van een (dreigende) overtreding van het verbod van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet wel op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en steunt op een deugdelijke motivering.
Belangenafweging
7. Mede gelet op de twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het bestreden besluit, weegt het belang van verzoekster bij de gevraagde voorlopige voorziening naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van belanghebbende om de resterende werkzaamheden voorafgaand aan de beslissing op bezwaar uit te voeren. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de werkzaamheden bedoeld zijn om de sociale veiligheid in (delen van) het gebied te verbeteren en de kwaliteit van het groen te verbeteren. Het belang om die doelstellingen al te bereiken vóór de beslissing op het bezwaar weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen het belang bij het voorkomen van het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde diersoorten.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, betwijfelt de voorzieningenrechter of het bestreden besluit bij de heroverweging in bezwaar in stand zal blijven. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat het bestreden besluit van 24 december 2025 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Het college moet de werkzaamheden die in opdracht van belanghebbende ter plaatse worden uitgevoerd per direct stilleggen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
8.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden en krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit van 24 december 2025
tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- treft de voorlopige voorziening dat het college de werkzaamheden die in opdracht van belanghebbende ter plaatse worden uitgevoerd per direct stillegt tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
griffier
de voorzieningenrechter is verhinderd
mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.