ECLI:NL:RBDHA:2026:3967

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/09/678380 / FA RK 25-190
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 1:100 BWArt. 4 lid 3 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 4 lid 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978Art. 7 lid 2 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling schulden onder bewind

De rechtbank Den Haag heeft op 5 januari 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een vrouw en een man zonder bekende verblijfplaats. De vrouw verzocht de echtscheiding uit te spreken wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk, dat in 1997 in het buitenland was gesloten. De rechtbank stelde vast dat zij rechtsmacht had omdat de vrouw en de minderjarige dochter hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.

De rechtbank paste Nederlands recht toe op het verzoek tot echtscheiding en bepaalde dat het ouderschapsplan integraal deel uitmaakt van de beschikking. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige dochter werd toegewezen aan de vrouw. Tevens werd het huurrecht van de woning aan de vrouw toegekend, aangezien de woning in Nederland is gelegen.

Met betrekking tot de verdeling van het huwelijksvermogen stelde de rechtbank vast dat het Hongaarse recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, omdat partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Hongarije hadden. De huwelijksgemeenschap omvatte geen bezittingen maar wel schulden. De rechtbank bepaalde dat partijen elk de helft van de schulden die tijdens het huwelijk zijn ontstaan voor hun rekening nemen.

De kosten van de procedure worden door elke partij zelf gedragen. De beschikking is, met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, stelt het ouderschapsplan vast, kent de hoofdverblijfplaats en het huurrecht toe aan de vrouw en bepaalt gelijke verdeling van schulden onder het toepasselijke Hongaarse recht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Familie
zaaknummer / rekestnummer: C/09/678380 / FA RK 25-190
Beschikking d.d. 5 januari 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
en
[de bewindvoerder] h.o.d.n. [handelsnaam] ,
in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van de vrouw,
advocaat mr. A. Neermawatie Nandoe, gevestigd te Voorburg,
tegen
[de man] ,
zonder bekende woon en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
hierna te noemen de man.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 10 januari 2025;
- het F9-formulier van 31 januari 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 27 mei 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
- het F9-formulier van 28 mei 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 9 september 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
- het F9-formulier van 14 oktober 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 8 december 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 19 december 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlage.
1.2.
Bij de stukken bevindt zich het ouderschapsplan.
1.3.
Binnen de daarvoor gestelde termijn is door de man geen verweerschrift ingediend.
1.4.
De minderjarige [de minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken.

2.De beoordeling

2.1.
De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd op [datum] 1997 te [plaats] , [land] . Zij zijn de ouders van de nu nog minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , [geboorteland] (hierna: [de minderjarige] ).
2.2.
Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de man, de vrouw en [de minderjarige] de Hongaarse nationaliteit hebben.
2.3.
Scheiding
2.3.1.
De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.3.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de vrouw zich in Nederland bevond en deze daar sinds ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.3.3.
Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
2.3.4.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
2.3.5.
Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld. De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking.
2.4.
Verblijfplaats
2.4.1.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar zal zijn.
2.4.2.
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats.
2.4.3.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich daartegen verzet.
2.5.
Woning
2.5.1.
De vrouw heeft het huurrecht van de woning verzocht.
2.5.2.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, derde lid, aanhef en sub a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
2.5.3.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
2.5.4.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot het huurrecht van de woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
2.6.
Verdeling
2.6.1.
Uit de beschikking van 27 juni 2022 van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag overgelegd blijkt dat de goederen van de vrouw tot 1 juli 2027 onder bewind zijn gesteld. Om die reden is de bewindvoerder de formele procespartij met betrekking tot de verdeling van de goederen. Bij F9-formulier met bijlage van 19 december 2025 heeft de advocaat de rechtbank bericht dat zij in het kader van de verdeling mede namens de bewindvoerder van de vrouw optreedt.
2.6.2.
De bewindvoerder heeft verzocht de huwelijksgemeenschap van partijen te verdelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:100 BW Pro, in die zin dat partijen een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap. Onweersproken is gesteld dat de man en de vrouw onder bewind zijn gesteld en de huwelijksgemeenschap van partijen geen bezittingen en uitsluitend schulden omvat.
2.6.3.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.6.4.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
2.6.5.
Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen.
2.6.6.
Zij hebben na de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd, te weten Hongarije.
2.6.7.
Op grond van artikel 4, eerste lid, van het Verdrag is het Hongaarse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.6.8.
Niet gebleken is dat zich nadien een situatie heeft voorgedaan als omschreven in artikel 7, tweede lid, van het Verdrag, waardoor geen sprake is van een wijziging van het toepasselijk recht.
2.6.9.
Blijkens de artikelen 4:34, 4:35 en 4:37 van Wet V van 2013 over het Hongaars Burgerlijk Wetboek huwen echtgenoten naar Hongaars recht met gemeenschap van goederen voor de duur van het huwelijk. Alle goederen die gezamenlijk of afzonderlijk worden verkregen door de echtgenoten tijdens het bestaan van de gemeenschap van goederen maken deel uit van het onverdeeld gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, met uitzondering van goederen die behoren tot het eigen vermogen van een echtgenoot. Inkomsten uit eigen vermogen maken ook deel uit van het gemeenschappelijk vermogen indien deze inkomsten werden verworven tijdens het gezamenlijke gehuwde leven. Het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten omvat ook de lasten waarmee hun gemeenschappelijke goederen bezwaard zijn en zij dienen gezamenlijk de schulden te dragen die voortkomen uit of in verband staan met verplichtingen door één van de echtgenoten aangegaan tijdens het bestaan van de gemeenschap van goederen.
2.6.10.
Nu niet het Nederlandse recht, maar het Hongaarse recht van toepassing komt het verzoek om de huwelijksgemeenschap van partijen te verdelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:100 BW Pro als zodanig niet voor toewijzing in aanmerking. Uit verzoekschrift blijkt echter dat het de bedoeling is dat bepaald wordt dat partijen een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap. Ook is gesteld dat de gemeenschap geen bezittingen omvat en dat er alleen gezamenlijke schulden zijn. De rechtbank vat het verzoek daarom aldus op, dat beoogd wordt te bepalen dat partijen een gelijk aandeel hebben in de tijdens het huwelijk ontstane schulden. Naar Hongaars recht dienen partijen, zoals hiervoor vermeld, gezamenlijk de schulden te dragen die voortkomen uit of in verband staan met verplichtingen door één van de echtgenoten aangegaan tijdens het bestaan van de gemeenschap van goederen. De rechtbank zal daarom bepalen dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schuld(en) voor zijn/haar rekening dient te nemen.
2.7.
Proceskosten
2.7.1.
Gelet op de familierechtelijke aard van deze procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd te [plaats] , [land] op [datum] 1997;
3.2.
bepaalt dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking;
3.3.
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
3.4.
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
3.5.
bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen de man en de vrouw elk de helft van de schuld(en) die zijn ontstaan tijdens het huwelijk voor zijn/haar rekening dient te nemen;
3.6.
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
3.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.X.R. Yi op 5 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.