ECLI:NL:RBDHA:2026:3950
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening terugkeerbesluit vreemdeling
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Asiel en Migratie een besluit genomen waarin is bepaald dat verzoeker binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting, op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.43854), acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens is geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 en is onherroepelijk, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit is afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.