ECLI:NL:RBDHA:2026:3945

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
NL25.61916
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen wegens Dublin-verantwoordelijkheid Frankrijk

Verzoekers hebben asielaanvragen ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling zijn genomen omdat Frankrijk volgens de Dublin-verordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank heeft eerder de beroepen van verzoekers ongegrond verklaard. Verzoekers stelden verzet in tegen deze uitspraak en vroegen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft zonder zitting uitspraak gedaan en geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet meer nodig is omdat de rechtbank reeds op het verzet heeft beslist in gerelateerde zaken. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is definitief en er staat geen hoger beroep of verzet tegen open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61916

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer 1], verzoeker

[verzoekster], V-nummer: [V-nummer 2], verzoekster
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 28 augustus 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van verzoekers niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Bij uitspraak van 24 september 2025 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.
Verzoekers hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. In de uitspraak van vandaag met zaaknummers NL25.41549 en NL25.41551 V heeft de rechtbank beslist op het verzet waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af als kennelijk ongegrond.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 februari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.