ECLI:NL:RBDHA:2026:390

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
NL25.54743
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag en niet-tijdige beslissing door de minister van Asiel en Migratie

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 12 januari 2026, wordt het beroep van eiseres behandeld die stelt dat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op haar asielaanvraag van 28 maart 2025. De rechtbank oordeelt dat de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag moet beslissen, zoals vastgelegd in artikel 42 van de Vreemdelingenwet. De beslistermijn begint te lopen op het moment dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de behandeling van de aanvraag, wat in dit geval op 17 juni 2025 gebeurde. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn op 17 december 2025 is verstreken, maar dat de ingebrekestelling van eiseres op 22 oktober 2025 prematuur was, omdat deze werd ingediend voordat de beslistermijn was verstreken. Hierdoor voldoet het beroep niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, zoals bedoeld in artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank concludeert dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en eiseres heeft de mogelijkheid om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens is met deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54743

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
mede namens de minderjarige kinderen:

[naam], geboren op [geboortedatum],

[naam], geboren op [geboortedatum],
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 28 maart 2025.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Volgens artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. De beslistermijn na een Dublin-claim vangt op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw aan op de datum dat wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
3. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 28 maart 2025. Op 21 mei 2025 zijn de Roemeense autoriteiten akkoord gegaan met het Nederlandse claimverzoek. Vervolgens heeft de minister bij brief van 17 juni 2025 aan eiseres medegedeeld dat haar asielaanvraag in de nationale procedure zal worden behandeld om dat zij een echtgenoot heeft in de asielprocedure in Nederland, die ook de vader is van haar drie minderjarige kinderen.
4. De rechtbank stelt vast dat Nederland op 17 juni 2025 verantwoordelijk is geworden voor de aanvraag. De beslistermijn van zes maanden is daar mee op dat moment aangevangen en is verstreken op 17 december 2025. Dat betekent dat de ingebrekestelling van 22 oktober 2025 prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is, gelet op het voorgaande, kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).