ECLI:NL:RBDHA:2026:3878
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van Nederlanderschap minderjarige erkend door Nederlandse man ondanks vermoeden schijnerkenning
Verzoekster, wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige, verzocht de rechtbank om vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige, die in het buitenland is geboren en erkend door een Nederlandse man. De IND betwistte dit op grond van een vermoeden van schijnerkenning, waarbij de erkenning niet als rechtsgeldig werd erkend en de latere vermelding op de geboorteakte werd geweigerd.
De rechtbank overwoog dat de erkenning van de minderjarige door de Nederlandse man rechtsgeldig is, omdat de gronden voor nietigheid limitatief zijn opgesomd in artikel 1:204 BW Pro en schijnerkenning daar niet onder valt. Bovendien is er geen verzoek tot vernietiging van de erkenning ingediend op grond van artikel 1:205 BW Pro.
De rechtbank concludeerde dat de minderjarige op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap bij geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap werd daarom toegewezen, maar het verzoek tot uitvoerbaar verklaring bij voorraad werd afgewezen. De rechtbank wees het verzoek tot veroordeling van de IND in de proceskosten af.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat de minderjarige sinds geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit.