ECLI:NL:RBDHA:2026:3877

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/09/688841 / HA RK 25-370
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker na afwijzing nationaliteitsbewijs

Verzoeker, geboren in 1981 in een land, verblijft sinds 2002 zonder geldige verblijfstitel in Nederland. Hij heeft herhaaldelijk geprobeerd zijn nationaliteit van het land van herkomst te laten vaststellen, maar dit is door de ambassade geweigerd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft in eerdere procedures vastgesteld dat verzoeker zijn nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt.

De rechtbank beoordeelt het verzoek tot vaststelling van staatloosheid op basis van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid van 2023. Verzoeker is ontvankelijk omdat hij in Nederland woont en een onmiddellijk belang heeft. De Staat heeft aanvankelijk betoogd dat ook een ander land betrokken moet worden, maar heeft dit later laten vallen.

De rechtbank oordeelt dat het niet verenigbaar is dat de IND in vreemdelingenprocedures stelt dat verzoeker zijn nationaliteit niet kan aantonen, maar in de staatloosheidsprocedure beweert dat hij wel die nationaliteit bezit. Dit leidt tot een onmogelijke positie voor verzoeker. Omdat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een nationaliteit bezit, stelt de rechtbank vast dat hij staatloos is en wijst het verzoek toe.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoeker staatloos is en wijst het verzoek tot vaststelling van staatloosheid toe.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-370
Zaaknummer: C/09/688841
Datum beschikking: 27 januari 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 4 augustus 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. van Bremen te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: [naam] .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 5 augustus 2025 van de Staat;
- de brief van 3 september 2025, met bijlage, van verzoeker;
- de brief van 23 september 2025 van verzoeker;
- de brief van 23 oktober 2025, met bijlagen, van verzoeker.
Op 9 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoeker en [naam] namens de Staat. Verzoeker is wegens ziekte niet op de zitting verschenen.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
De Staat adviseert het verzoek af te wijzen.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1981 te [land 1] .
- Verzoeker verblijft sinds 2002 zonder geldige verblijfstitel in Nederland.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker feitelijk in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
Hoewel de Staat in het verweerschrift nog heeft betoogd dat [land 2] bij de beoordeling moet worden betrokken, heeft de Staat op zitting aangegeven dat er geen aanknopingspunten zijn om nog andere landen dan [land 1] bij de beoordeling te betrekken. De rechtbank zal dat daarom ook niet doen.
Wordt verzoeker als onderdaan van [land 1] beschouwd?
Verzoeker is er zelf altijd vanuit gegaan dat hij de [nationaliteit] heeft omdat hij uit [land 1] afkomstig is. Dat standpunt heeft hij ook in de vreemdelingrechtelijke procedures ingenomen. Hij heeft bij binnenkomst in Nederland een nationaal identiteitsbewijs overgelegd dat is afgegeven in [plaats] , [land 1] , op 5 augustus 1988. Dit identiteitsbewijs is op enig moment door de Nederlandse autoriteiten ingenomen en vernietigd. De Staat heeft op zitting toegelicht dat het identiteitsbewijs niet zozeer vals was, maar dat door het ontbreken van referentiemateriaal destijds niet kon worden vastgesteld dat het document door de bevoegde autoriteiten was afgegeven. Met de uitspraak van de ABRvS van 22 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1760 is in rechte komen vast te staan dat verzoeker zijn [nationaliteit] en identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt.
Verzoeker heeft onderhavige procedure aanhangig gemaakt omdat hij een identiteitsdocument nodig heeft. Hij heeft al in 2011 geprobeerd om bij de ambassade van [land 1] zijn [nationaliteit] vastgesteld te krijgen. Dat is geweigerd. De ambassade van [land 1] in Nederland heeft in 2024 het verzoek wederom geweigerd.
De Staat voert aan dat onvoldoende vaststaat dat verzoeker niet over een nationaliteit beschikt omdat verzoeker zich in eerdere procedures telkens op het standpunt heeft gesteld dat hij de [nationaliteit] heeft.
De rechtbank is van oordeel dat de Staat verzoeker met dat standpunt in een onmogelijke positie brengt. De rechtbank overweegt daartoe dat het niet zo mag zijn, dat de Nederlandse autoriteiten in een vreemdelingrechtelijke procedure bij herhaling oordelen dat een persoon zijn nationaliteit van een bepaald land niet aannemelijk heeft gemaakt, en vervolgens in een procedure tot vaststelling van staatloosheid het standpunt innemen dat diezelfde persoon niet staatloos is omdat hij juist wèl de nationaliteit van dat land heeft. Daarmee ontstaat immers een paradoxale situatie waarin de betreffende persoon klem komt te zitten en dat geldt ook in deze situatie voor verzoeker. Nu de Nederlandse IND jarenlang het standpunt heeft ingenomen dat verzoeker niet de [nationaliteit] heeft, dat in rechte ook zo is vastgesteld en bovendien in deze procedure niet aannemelijk is gemaakt dat verzoeker toch wèl de [nationaliteit] heeft, moet dat ook in deze procedure als vaststaand feit worden aangenomen.
Conclusie
Dit betekent dat niet is gebleken dat verzoeker de [nationaliteit] heeft, noch de nationaliteit van enig ander land. Daarmee moet het verzoek tot vaststelling staatloosheid worden toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoeker staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, A.M. van der Vliet en A.P. de Klerk rechters, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026.