ECLI:NL:RBDHA:2026:3870

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/09/675921 / FA RK 24-8299
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 1:94 BWArt. 1:99 BWArt. 3:178 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling, alimentatie en verdeling beperkte gemeenschap van goederen

Partijen zijn gehuwd in 2021 en hebben een minderjarige zoon. Zij verzoeken gezamenlijk de echtscheiding uit te spreken en afspraken te maken over zorg, alimentatie en verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen.

De rechtbank constateert dat partijen geen ouderschapsplan hebben ingediend maar kent hun verzoeken toe omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Partijen bereiken overeenstemming over een zorgregeling waarbij de zoon om het weekend bij de vader verblijft en vakanties worden verdeeld. De rechtbank bevestigt deze regeling en stuurt een brief aan de minderjarige.

Over alimentatie zijn partijen het eens: de man betaalt € 596,- kinderalimentatie en € 250,- partneralimentatie vanaf de levering van de woning. De beperkte gemeenschap van goederen wordt verdeeld: de auto wordt aan de vrouw toegedeeld met verrekening, de bankrekeningen blijven bij de respectievelijke eigenaars, en de inboedel wordt in onderling overleg verdeeld.

De echtelijke woning wordt verkocht; de vrouw mag deze zes maanden na inschrijving van de echtscheiding blijven bewonen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af om de woning onverdeeld te laten tot 2029. De verkoopopbrengst minus hypotheken en kosten wordt gelijk verdeeld. Partijen regelen de verkoop via een onafhankelijke makelaar-taxateur.

De beschikking is uitgesproken op 27 januari 2026 door de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, stelt zorgregeling en alimentatie vast, en regelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen inclusief verkoop van de woning.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-8299 (echtscheiding)
FA RK 25-1968 (verdeling beperkte gemeenschap)
Zaaknummers: C/09/675921 (echtscheiding)
C/09/681947 (verdeling beperkte gemeenschap)
Datum beschikking: 27 januari 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 19 november 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. de Boom in Barendrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.M. Emeis in Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 2 december 2024 van de man, met bijlage;
  • het verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op 4 februari 2025;
  • het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op
  • het bericht van 13 maart 2025 van de man, met bijlage;
  • het bericht van 15 september 2025 van de man;
  • het bericht van 26 november 2025 van de man, met bijlagen;
  • het bericht van 30 november 2025 van de vrouw, met bijlagen.
De minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige]) heeft een brief geschreven aan de kinderrechter.
Op 10 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2021 in [plaats 1], in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.
  • Partijen zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats].
  • De man heeft [minderjarige] erkend op 23 december 2016.
  • Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige].
  • [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vrouw.

Verzoek en verweer

De man heeft verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken met alle wettelijke gevolgen van dien;
  • te bepalen dat tussen de man en [minderjarige] een zorgregeling wordt vastgesteld, conform het verzoek van de man onder II.;
  • te bepalen dat partijen over moet tot gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap van goederen, conform punt 14 tot en met 23 van het verzoekschrift, althans de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen vast te stellen, conform punt 14 tot en met 23 van het verzoekschrift;
  • te bepalen dat de echtelijke woning van partijen wordt verdeeld, conform het verzoek van de man onder IV. tot en met VII.;
  • althans een verdeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De vrouw heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding, het verzoek tot verdeling van de bankrekeningen, de schulden en de inboedel zoals aangegeven in het verweerschrift onder punt 27 en 28. De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast heeft de vrouw zelfstandig verzocht, zoals dat na wijziging nu luidt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en naar de rechtbank begrijpt:
  • een zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen, conform het verzoek van de vrouw in het bericht van 30 november 2025;
  • te bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van deze beschikking, een kinderalimentatie voor [minderjarige] moet betalen van € 793,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, te vermeerderen met de helft van de niet-vergoede medische kosten, de niet vergoede kosten van bijles en buitenschoolse opvang en de kosten van brommen- en autorijlessen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage;
  • te bepalen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie moet betalen van € 262,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage.
  • de echtelijke woning onverdeeld te laten tot 1 augustus 2029, althans tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
  • voorwaardelijk, als het verzoek van de man tot verdeling van de echtelijke woning wordt toegewezen: te bepalen dat de vrouw jegens de man bevoegd is tot het voortgezet gebruik en bewoning van de echtelijke woning en de daarin aanwezige inboedelzaken gedurende zes maanden na inschrijving van de beschikking tot echtscheiding.
De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot echtscheiding en het voorwaardelijk verzoek tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. De man heeft tegen de overige verzoeken verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend, zoals op grond van artikel 815 Wetboek Pro van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is vereist. Toch zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding, omdat het partijen tot op heden niet is gelukt om zelf afspraken te maken over [minderjarige].
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken om de echtscheiding uit te spreken.
De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding daarom, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
Zorgregeling
Op de zitting heeft de rechtbank uitgebreid met partijen en de Raad gesproken over de zorgregeling.
Partijen hebben op de zitting overeenstemming bereikt over de reguliere zorgregeling tussen de man en [minderjarige]. De vrouw heeft er op de zitting alsnog mee ingestemd dat [minderjarige], zoals nu ook al het geval is, om de week van vrijdagavond tussen 18.30 – 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man zal zijn, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagavond bij de vrouw thuis ophaalt en [minderjarige] op zondagavond naar de vrouw terugbrengt.
Partijen hebben op de zitting ook overeenstemming bereikt over de vakantie- en feestdagenregeling. Zij zijn overeengekomen dat [minderjarige] bij de man zal zijn in de herfst- en de voorjaarsvakantie, dat [minderjarige] bij de vrouw zal zijn in de meivakantie en dat de zomervakantie, de kerstvakantie, de studiedagen en de feestdagen in onderling overleg bij helfte zullen worden verdeeld.
Partijen hebben op de zitting tot slot ook overeenstemming bereikt over de belregeling. Zij zijn overeengekomen dat:
  • [minderjarige] met de man zal bellen op dinsdagavond, donderdagavond en zaterdagavond in het weekend dat hij bij de vrouw is om 18.30 uur, waarbij de man [minderjarige] belt, en
  • dat [minderjarige] met de vrouw zal bellen op zaterdagavond in het weekend dat hij bij de man is om 18.30 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] belt.
De rechtbank zal aldus beslissen en zal het meer of anders verzochte over de zorgregeling afwijzen.
Brief aan [minderjarige]
De rechtbank heeft een brief aan [minderjarige] geschreven, die gelijktijdig met deze beschikking zal worden verstuurd. De inhoud van die brief luidt als volgt:

Beste [minderjarige],
Wat heb jij mij een mooie brief geschreven! Toen jouw moeder mij uitlegde waarom jij jouw brief begon met ‘hallo granaatappel’, moest ik erg lachen. In jouw brief schreef jij mij dat jij eigenlijk niks zou willen veranderen en dat jij het goed vindt dat jij om het weekend bij papa bent. Ik heb met jouw papa en mama gesproken over wanneer jij bij papa en wanneer jij bij mama zal zijn. Zij hebben samen afgesproken dat het blijft zoals het nu is en dat jij dus om het weekend bij papa bent. Ik vind het fijn dat jouw papa en mama dat samen hebben afgesproken voor jou. Voor jou verandert er dus niets. Ik wens je veel plezier de komende tijd, ook met school en hockey.”
Kinderalimentatie en partneralimentatie
Partijen hebben op de zitting volledige overeenstemming bereikt over de kinderalimentatie en de partneralimentatie. Zij zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw € 556,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige] en € 250,- bruto per maand aan partneralimentatie zal betalen. Deze afspraak zal ingaan met ingang van de datum van de levering van de echtelijke woning, omdat de man de lasten van de echtelijke woning tot dat moment zal blijven betalen. De rechtbank zal aldus beslissen, ook omdat zij deze bijdragen redelijk en billijk acht en niet in strijd met de wettelijke maatstaven en zal het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie en de partneralimentatie afwijzen.
Verdeling beperkte gemeenschap
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2021. Niet gesteld en verder is ook niet gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. De rechtbank stelt daarom vast dat partijen met elkaar zijn gehuwd in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.
De rechtbank overweegt dat de door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94 tweede Pro en zevende lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van wordt als uitgangspunt genomen dat partijen in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap en dat iedere partij de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap geldt op grond van artikel 1:99 lid 1 sub b BW Pro als peildatum de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Dat is 19 november 2024.
Voor zover partijen niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen, geldt voor de waardering geldt de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.
Omvang huwelijksgemeenschap
Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen en schulden al dan niet in de ontbonden beperkte huwelijksgemeenschap vallen:
de echtelijke woning in ([postcode]) [plaats 2] aan de [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen bij ING;
de saldi op de bankrekeningen;
  • [rekeningnummer 1] op naam van de man;
  • [rekeningnummer 2] op naam van de man;
  • [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw;
  • de spaarrekening op naam van de vrouw;
de inboedelgoederen;
de Fiat 500X met kenteken [kenteken];
de belastingteruggave;
de schuld bij de ouders van de vrouw;
de schuld bij de ouders van de man.
ad a) de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening
De rechtbank zal de wijze van verdeling van de echtelijke woning hierna, onder een aparte kop (echtelijke woning: onverdeeld laten, voortgezet gebruik en verdeling) vaststellen.
ad b) de saldi op de bankrekeningen
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn stelling dat de vrouw naast een betaalrekening op haar naam nog een spaarrekening op haar naam heeft dan wel had, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze stelling van de man. Dit betekent dat in de verdeling van ontbonden de beperkte gemeenschap betrokken worden de saldi op de bankrekeningen op naam van de man en de saldi op de bankrekening op naam van de vrouw.
Partijen zijn het er over eens dat aan de man wordt toegedeeld de saldi op de bankrekeningen op zijn naam en dat aan de vrouw wordt toegedeeld de saldi op de bankrekening op haar naam, zonder nadere verrekening met de andere partij. De rechtbank zal aldus beslissen.
ad c) de inboedelgoederen
Partijen hebben op de zitting afgesproken dat zij met behulp van hun advocaten de inboedelgoederen in onderling overleg bij helfte zullen verdelen. De rechtbank zal aldus beslissen.
ad d) de Fiat 500X
Partijen zijn het er inmiddels over eens dat de auto in de ontbonden beperkte gemeenschap van goederen valt en dat de auto wordt toegedeeld aan de vrouw, met verrekening van de helft van de waarde aan de man.
Tussen partijen is de waarde van de auto nog wel in geschil. De man heeft initieel gesteld dat de auto € 22.000,- waard is. Dit is door de vrouw betwist en zij heeft initieel gesteld dat de auto € 15.000,- waard is. Nadien heeft de vrouw de waarde van de auto, na aftrek van de onderhouds- en APK-kosten en schade, gesteld op € 10.050,-. De vrouw heeft daarbij verwezen naar een recente taxatie van de auto. Gelet op de overgelegde stukken, dat wat op de zitting met partijen is besproken en de peildatum, zal de rechtbank de waarde van de auto vaststellen op € 15.000,-.
De rechtbank zal aldus beslissen dat de auto aan de vrouw wordt toegedeeld voor € 15.000,-, met verrekening van de helft van de waarde aan de man.
ad e) de belastingteruggave
Partijen hebben op de zitting afgesproken dat zij de belastingteruggave over 2024 bij helfte met elkaar zullen verdelen en dat zij de belastingteruggave over 2025 niet meer met elkaar zullen verdelen. De rechtbank zal aldus vaststellen.
ad f) en g) de schuld bij de ouders van de vrouw en de schuld bij de ouders van de man
Partijen hebben afgesproken dat zij de schulden aan hun ouders zullen aflossen met de netto gerealiseerde overwaarde na verkoop van de echtelijke woning. De rechtbank zal aldus vaststellen.
Echtelijke woning: onverdeeld laten, voortgezet gebruik en verdelingDe vrouw wil de echtelijke woning van partijen onverdeeld laten tot 1 augustus 2029. De vrouw woont sinds het feitelijk uiteengaan van partijen met [minderjarige] in de echtelijke woning. [minderjarige] is er, ook gelet op zijn problematiek, zeer bij gebaat als zijn leven voorlopig zo veel mogelijk kan worden voortgezet zoals hij gewend is en dat hij niet hoeft te wisselen van basisschool. De vrouw is op zoek naar vervangende woonruimte in de buurt van de basisschool van [minderjarige], maar zij is aangewezen op een sociale huurwoning en heeft deze nog niet gevonden. Zodra dit wel het geval is, kan de echtelijke woning worden verkocht. Subsidiair verzoekt de vrouw om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen.
De man verzet zich tegen het onverdeeld laten van de echtelijke woning van partijen. De man wil dat de woning zo snel mogelijk wordt verkocht, nu de woningmarkt gunstig is. De man kan op dit moment geen andere woning kopen, omdat hij nog vastzit aan de hypothecaire geldleningen die zijn verbonden aan de echtelijke woning en hij de overwaarde nodig heeft. Daarbij komt dat de vrouw niet in staat is om de lasten van de echtelijke woning te betalen. De man stemt wel in met het subsidiaire verzoek van de vrouw om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 3:178 BW Pro volgt dat deelgenoten in beginsel niet in onverdeeldheid hoeven te blijven, maar vrij zijn om verdeling van een gemeenschappelijk goed te vorderen. Op dit beginsel is een aantal uitzonderingen gemaakt. Zo bepaalt artikel 3:178 lid 3 BW Pro dat, indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, de rechter op verlangen van een deelgenoot een of meerdere malen, telkens voor ten hoogste drie jaar, een vordering tot verdeling kan uitsluiten.
De rechtbank moet in dit geval dus beoordelen of het belang van de vrouw bij het nu onverdeeld laten van de echtelijke woning groter is dan het belang van de man bij verdeling van de echtelijke woning. Nog los van het feit dat de rechtbank de vordering tot verdeling van de echtelijke woning maximaal drie jaar kan uitsluiten en dus niet tot 1 augustus 2029, zoals door de vrouw is verzocht, acht de rechtbank dit – hoewel de wens van de vrouw hiertoe gelet op de woningmarkt zeer invoelbaar is – niet redelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw dit aanmerkelijk belang, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende onderbouwd. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat partijen al sinds mei 2023 feitelijk uit elkaar zijn en dat de vrouw met [minderjarige] in de woning is blijven wonen, terwijl de man vanaf dat moment steeds elders heeft moeten verblijven. Vanaf het begin af aan is het voor partijen duidelijk geweest dat geen van hen de echtelijke woning kan overnemen. Gebleken is verder dat vaststaat dat de vrouw aangewezen is op een sociale huurwoning en dat de man de overwaarde nodig heeft om een andere woning te kunnen kopen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het belang van de man om de echtelijke woning te verkopen nu zwaarder weegt dan het belang van de vrouw om de echtelijke woning voorlopig onverdeeld te laten. Dat [minderjarige] moeite heeft met de scheiding en mogelijk te maken zal krijgen met een verhuizing en wisseling van school is uiteraard verdrietig, maar dat na de inzet van [instantie] nog sprake is van dermate ernstige problematiek dat het belang van [minderjarige] meebrengt om hierover anders te oordelen is niet komen vast te staan. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dus afwijzen.
Omdat de man heeft ingestemd met het subsidiaire verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen, zal de rechtbank dat verzoek van de vrouw wel toewijzen. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij, vanwege de door partijen gemaakte afspraken over de kinderalimentatie en de partneralimentatie, geen gebruiksvergoeding van de vrouw hoeft.
Het voorgaande betekent dat de echtelijke woning verkocht zal moeten worden. De rechtbank zal de wijze van verdeling van de echtelijke woning vaststellen, conform het zogenoemde ‘spoorboekje’ in het dictum van deze beschikking.
De rechtbank zal aldus beslissen en het meer of anders verzochte over de echtelijke woning afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, met elkaar gehuwd op [datum] 2021 in [plaats 1];
*
bepaalt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats]:
reguliere zorgregeling:
- om de week van vrijdagavond tussen 18.30 – 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man zal zijn, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagavond bij de vrouw thuis ophaalt en [minderjarige] op zondagavond naar de vrouw terugbrengt;

vakantie- en feestdagenregeling:

  • in de herfst- en de voorjaarsvakantie bij de man zal zijn;
  • in de meivakantie bij de vrouw zal zijn;
  • de ene helft van de kerstvakantie, de zomervakantie, de studiedagen en de feestdagen bij de man zal zijn en de andere helft bij de vrouw zal zijn, in onderling overleg bij helfte tussen partijen te verdelen;

belregeling:

- met de man zal bellen op dinsdagavond, donderdagavond en zaterdagavond in het weekend dat hij bij de vrouw is om 18.30 uur, waarbij de man [minderjarige] belt, en dat [minderjarige] met de vrouw zal bellen op zaterdagavond in het weekend dat hij bij de man is om 18.30 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] belt;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van levering van de echtelijke woning, een kinderalimentatie voor [minderjarige] moet betalen van € 596,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van levering van de echtelijke woning, een partneralimentatie moet betalen van € 250,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning in ([postcode]) [plaats 2] aan de [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
bepaalt ten aanzien van de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap – onder voorwaarde van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand – dat:
- ten aanzien van de echtelijke woning in ([postcode]) [plaats 2] aan de [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen bij ING:
- de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur, moet de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren en verkopen, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen moeten vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht verstrekken aan de makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
  • ten aanzien van de saldi op de bankrekeningen: de saldi op de bankrekeningen op naam van de man worden aan de man toegedeeld en de saldi op de bankrekening op naam van de vrouw worden aan de vrouw toegedeeld, zonder nadere verrekening met de andere partij;
  • ten aanzien van de inboedelgoederen: partijen de inboedelgoederen met behulp van hun advocaten in onderling overleg bij helfte zullen verdelen;
  • ten aanzien van de Fiat 500X met kenteken [kenteken]: de Fiat 500X wordt aan de vrouw toegedeeld voor € 15.000,-, met verrekening van de helft van de waarde aan de man;
  • ten aanzien van de belastingteruggave: stelt vast dat conform de afspraak tussen partijen de belastingteruggave over 2024 bij helfte tussen partijen wordt gedeeld en dat de belastingteruggave over 2025 niet tussen hen wordt gedeeld;
  • ten aanzien van de schuld bij de ouders van de man en de schuld bij de ouders van de vrouw: stelt vast dat conform de afspraak tussen partijen de schulden bij hun ouders worden afgelost met de netto gerealiseerde overwaarde na verkoop van de echtelijke woning;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 januari 2026.