ECLI:NL:RBDHA:2026:3865

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
09/222937-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor uitvoer cocaïne, bezit wapens en professioneel vuurwerk

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor het samen met een ander uitvoeren van ongeveer 1086,59 gram cocaïne naar Australië op 11 maart 2025. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte op 12 augustus 2025 in Eindhoven meerdere wapens en professioneel vuurwerk in bezit had.

De verdachte bekende de feiten tijdens de terechtzitting en de rechtbank achtte het bewijs, waaronder diverse proces-verbalen en een rapport van het Douane Laboratorium, wettig en overtuigend. De verdediging voerde aan dat het exacte gewicht van de cocaïne niet vast te stellen was, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

De rechtbank overwoog dat de internationale drugshandel ernstige maatschappelijke schade veroorzaakt en dat het bezit van wapens en professioneel vuurwerk een onaanvaardbaar veiligheidsrisico vormt. Gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een blanco strafblad, werd een gevangenisstraf van 360 dagen opgelegd, waarvan 161 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en gedragsinterventie.

De rechtbank volgde het advies van de reclassering en legde het volwassenenstrafrecht toe. De verdachte heeft afstand gedaan van de in beslag genomen voorwerpen, zodat hierover geen beslissing werd genomen. De straf is verminderd met 199 dagen voorarrest. Het vonnis werd uitgesproken op 26 februari 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf, waarvan 161 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/222937-25
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres], [postcode] te [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in het Justitieel Complex [plaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 17 november 2025 (pro forma) en 12 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. N.C. Neelis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.C.J. Schobbers naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd:
1) uitvoer van cocaïne, in vereniging gepleegd, op 11 maart 2025;
2) bezit van vier wapens op 12 augustus 2025;
3) bezit van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik op 12 augustus 2025.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft de aan hem tenlastegelegde feiten op de zitting van 12 februari 2026 namelijk bekend. Daarnaast heeft zijn raadsvrouw geen (algehele) vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het einddossier met onderzoeksnummer LXFBC25005, van de politie eenheid Landelijke Expertise en Operaties, Dienst Infrastructuur (doorgenummerd pagina 1 t/m 267).
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben. De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van alle feiten:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 februari 2026.
Ten aanzien van feit 1 ook:
2. Het proces-verbaal van bevinding en overdracht, met bijlagen, opgemaakt op 9 april 2025 (p. 23-27);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 31 juli 2025 (p. 38-39);
4. Een geschrift, te weten een rapport van het Douane Laboratorium van 5 juni 2025 met kenmerk P025.5.0007 (p. 37);
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 maart 2025 (p. 29-32).
Ten aanzien van feit 2 ook:
6. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, opgemaakt op 13 augustus 2025 (p. 263-267);
7. Het proces-verbaal van determinatie, opgemaakt op 13 augustus 2025 (proces-verbaalnummer 2025650309499).
Ten aanzien van feit 3 ook:
8. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, opgemaakt op 13 augustus 2025 (p. 263-267);
9. Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, met bijlagen, opgemaakt op 22 oktober 2025 (p. 48-63).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat het gewicht van de aangetroffen cocaïne niet precies kan worden vastgesteld en om die reden slechts de uitvoer van ‘een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne’ bewezen kan worden verklaard. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
Aan de verdachte is onder feit 1 in vereniging gepleegde (verlengde) uitvoer van (ongeveer) 1086,59 gram cocaïne ten laste gelegd.
Voorwaardelijk opzet
Ter terechtzitting van 12 februari 2026 heeft de verdachte verklaard dat hij op verzoek medeverdachte [medeverdachte] met de auto naar de luchthaven Schiphol heeft gebracht omdat de medeverdachte daar een pakket wilde afleveren. De verdachte verklaarde dat hij niet wist wat de inhoud van het pakket was, maar wel wist dat er iets niet klopte.
De verdachte verklaarde dat hij – ondanks zijn slechte voorgevoel – niet heeft gevraagd wat de inhoud van het pakket was en ook niet heeft gevraagd waarom voor de verzending hiervan helemaal naar de luchthaven Schiphol moest worden afgereisd. Door vervolgens toch de medeverdachte en het pakket naar de luchthaven te vervoeren, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er illegale middelen in het pakket zouden zitten. Hij heeft dan ook (minst genomen) voorwaardelijk opzet gehad op het in vereniging uitvoeren van cocaïne.
Hoeveelheid cocaïne
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat aan de hand van het dossier niet kan worden vastgesteld wat het exacte gewicht van de cocaïne was. Het gewicht dat in het dossier is vermeld, is, aldus de raadsvrouw, het resultaat van het wegen van niet alleen de inhoud van het pakket – de cocaïne –, maar ook van het karton en de tape (waarmee de cocaïne was omhuld) en het (aan het pakket vast getapete) buisje. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.
Uit het proces-verbaal waarin het wegen van het pakket is geverbaliseerd en een gewicht van 1086,59 gram staat vermeld, valt af te leiden dat een van een vacuümzak en bruin tape en van een buisje voorzien pakket is gewogen. In dat proces-verbaal valt niet te lezen dat er ook karton is meegewogen. Hiervoor vindt de rechtbank ook steun in het hiervoor vermelde proces-verbaal van bevinding en overdracht (p. 23-27), waarin wordt vermeld dat het door de verdachte en zijn medeverdachte ingeleverde pakket een gewicht had van 1,9 kilogram. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het vervolgens gewogen pakket uit een verpakking/doos is gehaald. De rechtbank acht niet aannemelijk dat het gewicht van de vacuümzak, de tape en het buisje van zodanige omvang is dat niet kan worden bewezenverklaard dat het pakket ‘ongeveer 1086,59 gram’ cocaïne bevatte. De rechtbank zal die hoeveelheid dan ook bewezen verklaren.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 11 maart 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1086,59 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op 12 augustus 2025 te Eindhoven voorhanden heeft gehad:
- een wapen van categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een uitschuifbare wapenstok, en
- een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een zwarte bus pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, en
- twee wapens van categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een airsoft wapen (pistool) en een airsoft wapen (geweer), telkens zijnde een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was;
3
hij op 12 augustus 2025 te Eindhoven in een woning gelegen aan de [adres] opzettelijk professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten vier stuks Cobra 6, opgeslagen en voorhanden heeft gehad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte op de datum van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht op te leggen, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan het, samen met een ander, uitvoeren van harddrugs. Hij heeft daartoe samen met die ander, een postpakket met cocaïne ter verzending naar Australië aangeboden. De verspreiding van en handel in harddrugs, die schadelijk en verslavend zijn, gaat gepaard met vele andere vormen van (soms zware en ondermijnende) criminaliteit. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het faciliteren, het in stand houden en het verder uitbreiden van het drugsgebruik en de drugshandel en de daaraan verwante sociale en maatschappelijke problemen. Hij heeft zich niet bekommerd om de risico’s en gevolgen van zijn handelen.
De grootschalige (internationale) handel in verdovende middelen heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Er gaan in deze handel grote sommen geld om en de financiële belangen van de daders zijn vaak groot. Om die belangen te beschermen, wordt (extreem) geweld vaak niet geschuwd. Vrijwel alle liquidaties die in het criminele circuit worden gepleegd, zijn direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot deze drugshandel. Van de georganiseerde drugshandel gaat bovendien in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit, zoals het omkopen van douanebeambten of haven- of transportmedewerkers. Boven- en onderwereld raken zodoende steeds meer met elkaar verweven. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnen daarmee onze democratische rechtsstaat.
Daarnaast heeft de verdachte meerdere wapens en professioneel vuurwerk in zijn bezit gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens en professioneel vuurwerk brengt – ook zonder kwade intenties – een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en goederen met zich mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 november 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Het strafblad van de verdachte zal de rechtbank dan ook niet in strafverzwarende of strafverminderende zin meewegen bij de straftoemeting.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van meerdere reclasseringsadviezen over de verdachte, waarvan de meest recente op 10 november 2025 is uitgebracht. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Mocht de rechtbank toch een (deels) voorwaardelijke sanctie opleggen, dan worden als voorwaarden een meldplicht, verplichte deelname aan een gedragsinterventie, een verplichting om zich in te spannen voor dagbesteding en het verplicht geven van openheid over financiën geadviseerd. Tot slot wordt geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij bereid is om aan bijzondere voorwaarden mee te werken, maar dat hij een gedragsinterventie niet nodig vindt.
De op te leggen straf
De rechtbank zal – zoals door de reclassering geadviseerd – het volwassenenstrafrecht toepassen.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt bij de uitvoer van een hoeveelheid verdovende middelen tussen 1.000 en 1.500 gram een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht tot twaalf maanden vermeld. Voor het voorhanden hebben van een wapenstok, airsoftwapen en busje pepperspray gelden als uitgangspunten geldboetes.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 360 dagen, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht (door de rechtbank per heden berekend op 199 dagen), waarvan 161 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel passend en geboden, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Wat dit laatste betreft, is de rechtbank, gelet op de indruk die zij ter zitting van de verdachte heeft gekregen en het gemak waarmee hij is ingegaan op een verzoek waar hij zijn twijfels over had, niet geheel gerust op het handelen van de verdachte in de toekomst. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank daarom ook de bijzondere voorwaarden verbinden die door de reclassering zijn geadviseerd.
De rechtbank merkt ten aanzien van de bijzondere voorwaarden op dat de reclassering in het meest recente advies heeft opgenomen dat de verdachte zich voor afspraken met de reclassering in Utrecht moet melden. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het voor de hand dat het contact tussen de verdachte en de reclassering (na eventueel een intake in Utrecht) in Eindhoven zal plaatsvinden, aangezien de verdachte daar woonachtig is.

7.De in beslag genomen voorwerpen

Aan het dossier is een lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) toegevoegd. Ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte reeds afstand van alle op de beslaglijst genoemde voorwerpen heeft gedaan. De rechtbank zal daarom geen beslissing omtrent de in beslag genomen voorwerpen nemen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;
- 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
- 1 a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer;
- 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, met uitzondering van onderdeel 2º of onderdeel 7º;
ten aanzien van feit 3:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
360 (DRIEHONDERDZESTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 199 (honderdnegenennegentig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
161 (honderdéénenzestig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Meldplicht
- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland (adres: Zwarte Woud 2, 3524 SJ te Utrecht) op door de reclassering te bepalen tijdstippen en locaties, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
Gedragsinterventie
- gedurende de proeftijd actief deelneemt aan een gedragsinterventie, bestaande uit een training voor cognitieve vaardigheden, verzorgd door een door de reclassering aan te wijzen instelling. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens deze instelling aan hem worden gegeven;
Dagbesteding
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur;
Openheid over financiën
- gedurende de proeftijd openheid geeft over zijn financiën op een door de reclassering te bepalen wijze, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.C. Goilo-Kam, voorzitter,
mr. J.E. Bierling, rechter,
mr. A.M.A. Keulen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 11 maart 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1086,59 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 12 augustus 2025 te Eindhoven, althans in Nederland, voorhanden heeft gehad:
- een wapen van categorie I onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een uitschuifbare wapenstok, en/of
- een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een zwarte bus pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, en/of
- twee wapens van categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een airsoft wapen (pistool) en/of een airsoft wapen (geweer), (telkens) zijnde een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was;
3
hij op 12 augustus 2025 te Eindhoven, (in een woning gelegen aan de [adres]) opzettelijk professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten vier stuks Cobra 6, opgeslagen en voorhanden heeft gehad.
Bijlage II
Beslaglijst