ECLI:NL:RBDHA:2026:3841
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod
Verzoeker, met de Marokkaanse nationaliteit en geboren in Nederland, heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, het opgelegde terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht, een zwaar inreisverbod van tien jaar en een SIS-signalering. Deze besluiten zijn genomen door de minister van Asiel en Migratie op 29 oktober 2025 vanwege herhaalde veroordelingen en politiecontacten.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld op 27 januari 2026. Verzoeker wilde dat de werking van het terugkeerbesluit en het inreisverbod werd geschorst zodat hij in Nederland kon blijven tijdens de bezwaarprocedure. De minister verzette zich tegen dit verzoek.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang, maar dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De intrekking van de verblijfsvergunning en de opgelegde maatregelen zijn naar voorlopig oordeel goed gemotiveerd en gebaseerd op de relevante wet- en regelgeving. De gedragsverandering van verzoeker weegt onvoldoende op tegen de ernst en herhaling van zijn strafbare feiten. Ook het feit dat verzoeker mogelijk gehoord kan worden op afstand in de bezwaarprocedure verandert dit oordeel niet.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, waardoor verzoeker Nederland moet verlaten en de behandeling van het bezwaar niet in Nederland kan afwachten. Verzoeker krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod wordt afgewezen, waardoor verzoeker Nederland moet verlaten.