ECLI:NL:RBDHA:2026:3837
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden wegens huiselijk geweld
Eiseres, een Surinaamse vrouw, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden als slachtoffer van huiselijk geweld. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af omdat eiseres geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf had en niet voldeed aan de vrijstellingscriteria, mede omdat haar uitzetting niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro.
Eiseres voerde in beroep aan dat de belangen van haar kinderen, waaronder een kind met autisme, onvoldoende waren meegewogen, dat er sprake was van familie- en gezinsleven met haar schoonzus en zwager vanwege zorgafhankelijkheid, en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat de minister de belangen zorgvuldig had afgewogen, dat er geen beschermenswaardig gezinsleven met de schoonfamilie was aangetoond, en dat het bezwaar kennelijk ongegrond was zodat afzien van hoorzitting gerechtvaardigd was.
De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de aanvraag geen inmenging in het gezinsleven met de kinderen oplevert omdat zij mee terug zouden keren naar Suriname. De verwijzing naar eerdere jurisprudentie was niet vergelijkbaar. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de hoofdzaak was beslist. De rechtbank wees het beroep af en liet het bestreden besluit in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.