ECLI:NL:RBDHA:2026:3837

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
NL25.43535 en NL25.27388
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden wegens huiselijk geweld

Eiseres, een Surinaamse vrouw, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden als slachtoffer van huiselijk geweld. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af omdat eiseres geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf had en niet voldeed aan de vrijstellingscriteria, mede omdat haar uitzetting niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro.

Eiseres voerde in beroep aan dat de belangen van haar kinderen, waaronder een kind met autisme, onvoldoende waren meegewogen, dat er sprake was van familie- en gezinsleven met haar schoonzus en zwager vanwege zorgafhankelijkheid, en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat de minister de belangen zorgvuldig had afgewogen, dat er geen beschermenswaardig gezinsleven met de schoonfamilie was aangetoond, en dat het bezwaar kennelijk ongegrond was zodat afzien van hoorzitting gerechtvaardigd was.

De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de aanvraag geen inmenging in het gezinsleven met de kinderen oplevert omdat zij mee terug zouden keren naar Suriname. De verwijzing naar eerdere jurisprudentie was niet vergelijkbaar. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de hoofdzaak was beslist. De rechtbank wees het beroep af en liet het bestreden besluit in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.43535 en NL25.27388
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres], V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ als slachtoffer van huiselijk geweld. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiseres geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste. Eén van de redenen waarom eiseres geen vrijstelling krijgt, is dat haar uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. [1] Eiseres heeft familieleven met haar minderjarige kinderen, maar omdat zij geen van allen een geldige verblijfsvergunning hebben, is er geen sprake van een scheiding van gezinsleden bij vertrek uit Nederland. Verweerder neemt niet aan dat eiseres beschermenswaardig familieleven heeft met haar schoonzus en zwager, omdat de familierechtelijke relatie tussen hen niet is aangetoond en omdat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft wel aangenomen dat eiseres in Nederland privéleven heeft, maar de belangenafweging in dat kader valt in haar nadeel uit omdat haar omstandigheden niet uitzonderlijk zijn.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Ten eerste moest verweerder de belangen van de kinderen van eiseres betrekken in de beoordeling. Het oudste kind van eiseres heeft een zware vorm van autisme en heeft extra zorg nodig. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2024, [2] die volgens eiseres overeenkomsten vertoont met haar situatie. Ten tweede bestaat er wel familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar schoonzus en zwager, omdat er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Zij wonen namelijk samen en de schoonzus van eiseres helpt met de zorg voor de kinderen. Tot slot heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder namelijk deugdelijk gemotiveerd dat artikel 8 van Pro het EVRM niet in de weg staat aan het afwijzen van de aanvraag van eiseres. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
5. Verweerder mocht allereest constateren dat, nu de kinderen met eiseres mee terug zouden gaan naar Suriname, de afwijzing van de aanvraag geen inmenging in het gezinsleven tussen eiseres en haar kinderen oplevert. Ook in het belang van het kind hoefde verweerder geen aanleiding te zien om tot een ander besluit te komen. De rechtbank vindt daartoe van belang dat niet is gebleken dat de dochter van eiseres een specifieke zorgbehoefte heeft of dat eventueel nodige zorg in Suriname niet beschikbaar is. Dat de dochter is aangemeld of op de wachtlijst staat voor behandeling geeft niet voldoende aanknopingspunten voor een ander oordeel. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van 4 maart 2024 doet niet af aan het voorgaande. De feiten en omstandigheden die in die zaak speelden, verschillen namelijk sterk van het feitencomplex in deze zaak wat betreft de leeftijd en de opgebouwde sociale banden van de kinderen. Daarnaast slaagt het betoog van eiseres dat het haar niet kan worden aangerekend dat zij langer in Nederland is gebleven dan haar visum toestond, niet. Niet is gebleken dat het eiseres vanwege de coronapandemie in 2022 nog onmogelijk was om terug te keren naar Suriname en verweerder mocht van eiseres verwachten dat zij haar verblijf zou legaliseren.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook mogen concluderen dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven met de schoonzus en zwager van eiseres. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres graag bij hen in Nederland wil verblijven, is niet gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dat de schoonzus van eiseres haar helpt met de zorg voor haar kinderen, is hiertoe niet voldoende. Verweerder mocht erop wijzen dat niet is gebleken dat deze hulp specifiek van de schoonfamilie moet komen. Ook dat eiseres bij haar schoonzus en zwager woont, hoefde niet te leiden tot de conclusie dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
7. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt van eiseres niet dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de inhoud van de gronden van het bezwaar van eiseres, mocht verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren en afzien van het horen. Er zijn namelijk in bezwaar geen nieuwe omstandigheden naar voren gekomen met betrekking tot de zorg voor dochter van eiseres of het familieleven, die aanknopingspunten gaven voor een gehoor.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [3]
10. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.