Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
eventueelal verkregen opdrachten en
eventueelal gerealiseerde omzetgegevens. De facturen en betalingsbewijzen zijn dus niet doorslaggevend, omdat geen voorwaarde voor de verblijfsvergunning is dat al een opdracht loopt. Dat de RvO ook recentere stukken dan het bijgewerkte ondernemingsplan heeft benoemd in het advies, maakt niet dat eiseres pas daarmee heeft aangetoond dat zij voldoet aan de voorwaarden. Uit het advies blijkt daarnaast niet dat de stukken die eiseres op 24 december 2024 heeft ingediend, enige rol hebben gespeeld in de totstandkoming van het advies. Dat verweerder pas op 30 oktober 2024 het advies heeft opgevraagd bij de RvO, doet aan het voorgaande niet af. Immers is doorslaggevend wanneer eiseres de relevante stukken heeft overgelegd.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 5 maart 2025, voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning is vastgesteld op 24 december 2024;
- stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 15 april 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 5 maart 2025, voor zover deze is vernietigd;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.