ECLI:NL:RBDHA:2026:3829

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
AWB 25/7439
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:30 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3:20a VV 2000Art. 8:72 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ingangsdatum verblijfsvergunning arbeid als zelfstandige vastgesteld op datum volledige aanvraag

Eiseres, een Turkse nationaliteit houdende aanvrager, diende op 9 november 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met het doel arbeid als zelfstandige. De minister wees de aanvraag aanvankelijk af wegens onvoldoende onderbouwing, met name een incompleet en ongedateerd ondernemingsplan.

In de bezwaarprocedure overhandigde eiseres op 15 april 2024 een bijgewerkt ondernemingsplan met marktanalyse en financiële prognoses, waarmee zij volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voldeed aan de voorwaarden. De minister verleende vervolgens de vergunning met ingang van 24 december 2024, gebaseerd op latere facturen en betalingsbewijzen.

Eiseres betwistte deze ingangsdatum en stelde dat deze op de datum van de aanvraag of de datum van het bijgewerkte ondernemingsplan moest worden vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de ingangsdatum de dag is waarop aan alle voorwaarden is voldaan, en dat dit 15 april 2024 is, omdat toen het ondernemingsplan compleet was.

De rechtbank vernietigde het besluit voor zover de ingangsdatum op 24 december 2024 was gesteld en stelde deze zelf vast op 15 april 2024. Tevens veroordeelde zij de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt vastgesteld op 15 april 2024, de datum waarop eiseres aan alle voorwaarden voldeed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/7439

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Köse),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Inleiding

1. Met het besluit van 5 maart 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 5 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en haar aanvraag alsnog ingewilligd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. E. Kaya als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Turkse nationaliteit. Zij heeft op 9 november 2023 een aanvraag ingediend om het verblijfsdoel van haar verblijfsvergunning te wijzigen naar ‘arbeid als zelfstandige.’ Zij heeft hierbij een ondernemingsplan voor haar financiële adviesbureau ingediend.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag in eerste instantie afgewezen, omdat eiseres niet had aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning voldoet. Zij voldeed namelijk niet aan het documentatievereiste, onder andere omdat haar ondernemingsplan niet volledig en gedateerd was. Eiseres heeft in de bezwaarfase op 15 april 2024 een bijgewerkt ondernemingsplan overgelegd. Ook heeft zij op verschillende momenten facturen en betalingsbewijzen over de periode van juni tot en met november 2024 overgelegd. In het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag alsnog ingewilligd en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning gesteld op 24 december 2024. Volgens verweerder heeft eiseres op die dag aangetoond dat zij voldoet aan de voorwaarden door een factuur en betalingsbewijs van november 2024 over te leggen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit onder andere gebaseerd op een advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) namens de minister van Economische Zaken van 6 januari 2025.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit omdat zij vindt dat verweerder de verkeerde ingangsdatum heeft vastgesteld. Eiseres betoogt primair dat de ingangsdatum 9 november 2023 moet zijn, de dag dat zij haar aanvraag indiende. Subsidiair betoogt eiseres dat de juiste ingangsdatum 15 april 2024 is, omdat eiseres toen haar gewijzigde ondernemingsplan en verdere onderbouwende stukken heeft ingediend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen alleen in geschil is wat de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning moet zijn.
5. Een verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de aanvrager heeft aangetoond dat aan alle voorwaarden wordt voldaan. [1] De verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige kan slechts worden verleend indien het gaat om arbeid waarmee naar het oordeel van verweerder een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Bij de beoordeling van deze voorwaarde laat verweerder zich adviseren door de minister van Economische Zaken. [2] De toetsingscriteria voor vreemdelingen met de Turkse nationaliteit die zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefenen, staan in bijlage 8aa bij het VV 2000. Onder andere is vereist dat de onderneming voorziet in een behoefte in Nederland. Dat is het geval als er sprake is van een zodanige markt voor de producten/diensten van de aanvrager, dat de onderneming levensvatbaar is. Uit de bijlage volgt met welke stukken onderbouwd moet worden dat de onderneming levensvatbaar is. Onder andere is het ondernemingsplan van belang, dat compleet moet zijn een marktanalyse, (openings)balans en financiële prognoses.
6. De rechtbank is van oordeel dat eiseres op 15 april 2024 door het bijgewerkte ondernemingsplan over te leggen, heeft aangetoond dat zij aan alle voorwaarden voldoet. Zoals hiervoor benoemd, is doorslaggevend dat eiseres een compleet ondernemingsplan heeft overgelegd met een marktanalyse en financiële prognoses. Uit de inhoud van het rapport van de RvO, waarin het bijgewerkte ondernemingsplan centraal staat, volgt dat eiseres op 15 april 2024 haar aanvraag compleet heeft gemaakt door te onderbouwen dat haar onderneming levensvatbaar is. Uit de hierboven besproken bijlage volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat vereist is dat een aanvrager facturen en betalingsbewijzen overlegt of dat de onderneming al gedurende een bepaalde periode inkomsten moet hebben gehad. De bijlage geeft namelijk handvatten voor het onderbouwen van
eventueelal verkregen opdrachten en
eventueelal gerealiseerde omzetgegevens. De facturen en betalingsbewijzen zijn dus niet doorslaggevend, omdat geen voorwaarde voor de verblijfsvergunning is dat al een opdracht loopt. Dat de RvO ook recentere stukken dan het bijgewerkte ondernemingsplan heeft benoemd in het advies, maakt niet dat eiseres pas daarmee heeft aangetoond dat zij voldoet aan de voorwaarden. Uit het advies blijkt daarnaast niet dat de stukken die eiseres op 24 december 2024 heeft ingediend, enige rol hebben gespeeld in de totstandkoming van het advies. Dat verweerder pas op 30 oktober 2024 het advies heeft opgevraagd bij de RvO, doet aan het voorgaande niet af. Immers is doorslaggevend wanneer eiseres de relevante stukken heeft overgelegd.
6.1.
Het primaire standpunt van eiseres, dat zij al bij de aanvraag heeft aangetoond dat zij aan de voorwaarden voldoet, slaagt niet. In het primaire besluit heeft verweerder namelijk deugdelijk gemotiveerd dat het destijds overgelegde ondernemingsplan niet voldeed aan de voorwaarden. Verweerder heeft erop gewezen dat het ondernemingsplan ongedateerd was, geen voldoende specifieke marktanalyse bevatte en er geen financieel plan in was opgenomen. In de bezwaar- en beroepsfase heeft eiseres deze beoordeling van het oorspronkelijke ondernemingsplan niet gemotiveerd aangevallen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond, gelet op wat hiervoor is overwogen over de ingangsdatum van de verblijfsvergunning. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover deze de ingangsdatum vaststelt op 24 december 2024. Uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien [3] door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen op 15 april 2024. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit.
8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het beroep vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 5 maart 2025, voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning is vastgesteld op 24 december 2024;
  • stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 15 april 2024;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 5 maart 2025, voor zover deze is vernietigd;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 3.30 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 3.20a, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000).
3.Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.