ECLI:NL:RBDHA:2026:3825

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
SGR 25/7733 en SGR 26/375
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV tot tijdige beslissing op bezwaren met medische beoordeling

Eiseres maakte bezwaar tegen twee besluiten van het UWV over haar WIA-uitkering en stelde beroep in wegens het uitblijven van een beslissing op deze bezwaren. De rechtbank constateerde dat het UWV de beslistermijn had overschreden en dat de beroepen gegrond waren.

Het UWV gaf aan dat de overschrijding te wijten was aan een tekort aan verzekeringsartsen, wat de rechtbank als een bijzonder geval kwalificeerde. Op basis van eerdere jurisprudentie stelde de rechtbank een termijn van negen weken na verzending van de uitspraak vast waarbinnen het UWV de medische beoordeling moet verrichten en een besluit moet nemen.

De rechtbank legde het UWV een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 per besluit voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden. Tevens werd het griffierecht en proceskosten aan eiseres toegekend. Hoger beroep is uitgesloten.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het UWV binnen negen weken alsnog te beslissen en legt een dwangsom op voor elke dag overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/7733 en SGR 26/375

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J. Heek),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen het niet-tijdig beslissen door het Uwv op twee bezwaarschriften.
SGR 25/7733
1.1.
In het besluit van 27 januari 2025 (het primaire besluit I) heeft het Uwv bepaald dat eiseres vanaf 22 december 2022 een uitkering krijgt op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
SGR 26/375
1.2.
In het besluit van 31 januari 2025 (het primaire besluit II) heeft het Uwv bepaald dat de uitkering van eiseres op grond van de WIA stopt per 1 april 2025.
In beide beroepen
1.3.
Eiseres heeft op 11 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen beide besluiten. Eiseres heeft op 28 oktober 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van beslissingen op haar bezwaren tegen de primaire besluiten I en II.
1.4.
Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Omdat de beroepen kennelijk gegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijnen om te beslissen op de bezwaren is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 26 augustus 2025 met betrekking tot beide bezwaren in gebreke gesteld, en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 26 augustus 2025 tot het moment van het instellen van beroep zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op de bezwaren. De beroepen zijn daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 27 oktober 2025 tweemaal een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres telkens een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen niet vast te stellen.
4. Omdat het Uwv nog geen besluiten op de bezwaren heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht het Uwv te gelasten binnen twee weken na de uitspraak over te gaan tot het nemen van een besluit.
4.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege het tekort aan verzekeringsartsen bezwaar en beroep.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
4.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. In de onderhavige beroepen heeft het Uwv in het verweerschrift toegelicht dat de zaken onder de aandacht zijn gebracht, maar dat vanwege de grote drukte geen inschatting kan worden gegeven van de afhandelingstermijn. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen van € 100,- per dag met een maximum van €15.000,-. De rechtbank stelt vast dat dit in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv in beide beroepen een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank heeft de beroepen aangemerkt als ingediend tegen twee samenhangende besluiten in de zin van artikel 8:41, derde lid, van de Awb. Er is daarom eenmaal griffierecht geheven en betaald.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank merkt de beroepen aan als samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5, voor vergoeding in aanmerking komt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt in beide zaken het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen
- bepaalt dat het Uwv per besluit aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum per besluit van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 4 februari 2026. De uitspraakdatum blijft ongewijzigd. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, ondertekend en bekendgemaakt op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze hersteluitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze hersteluitspraak staat geen hoger beroep open. De hoger beroepstermijn tegen de herstelde uitspraak blijft ongewijzigd.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.Uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.Uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.