ECLI:NL:RBDHA:2026:3816

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
SGR 25/8979
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bepaalt termijn voor UWV om medische beoordeling en besluit op bezwaar te verrichten

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een WIA-uitkeringsbesluit van het UWV en beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op dat bezwaar. De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat het beroep gegrond is.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat het UWV in medische zaken een termijn van zes weken krijgt om een medische beoordeling door een verzekeringsarts te verrichten, gevolgd door drie weken om een besluit te nemen, met een maximum van negen weken na verzending van de uitspraak. Bij het ontbreken van een geplande medische beoordeling geldt deze termijn onverkort.

De rechtbank wijst erop dat de financiële gevolgen van het stoppen van de loongerelateerde uitkering het gevolg zijn van het primaire besluit en niet van de vertraging in de bezwaarprocedure. Daarom ziet de rechtbank geen reden om van de termijn af te wijken.

Het UWV wordt opgedragen binnen negen weken een besluit te nemen en een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 wordt opgelegd voor verdere overschrijding. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan eiseres toegekend.

Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken na verzending van de uitspraak een medische beoordeling verrichten en een besluit op bezwaar nemen, onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8979

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.P. Kuhn),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: C. Schravesande).

Inleiding

1. In het besluit van 23 juli 2024 heeft het Uwv aan eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. Eiseres heeft op 30 augustus 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
Eiseres heeft op 16 december 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op het bezwaar.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 13 februari 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 24 april 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
3.1.
Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
3.2.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te gelasten alsnog binnen twee weken een beslissing op bezwaar te nemen. Zij heeft toegelicht dat het eindigen van haar loongerelateerde uitkering per 6 maart 2025 grote financiële gevolgen voor haar heeft en dat zij daarom belang heeft bij voortvarende besluitvorming door het Uwv.
3.3.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door het tekort aan verzekeringsartsen en de als gevolg daarvan hoge en nog steeds oplopende werkvoorraad.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
3.5.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 [2] heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
3.6.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
3.7.
De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen reden om af te wijken van de hiervoor genoemde termijn van negen weken. De door eiseres gestelde financiële implicaties van het stoppen van haar loongerelateerde uitkering zijn het gevolg van het primaire besluit van 23 juli 2024, niet van het uitblijven van een besluit op bezwaar. Het is de rechtbank niet gebleken dat al bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
4. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. [4]
5. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
6. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.