ECLI:NL:RBDHA:2026:3813

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
NL26.2779
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland in asielzaak

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 december 2025 waarbij zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn. Op 14 januari 2026 diende verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening in om te voorkomen dat hij op 22 januari 2026 aan Duitsland zou worden overgedragen voordat op zijn beroep is beslist.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van onmiddellijke spoed en dat de belangen van verzoeker zwaarder wegen dan die van verweerder. Verweerder heeft bovendien geen bezwaar gemaakt tegen het treffen van de voorlopige voorziening. Daarom wordt de overdracht aan Duitsland voorlopig verboden tot vier weken na de beslissing op het beroep.

De uitspraak is gedaan zonder zitting vanwege spoed en bindt de rechtbank niet in het bodemgeding. Er is geen proceskostenveroordeling omdat het verzoek om voorlopige voorziening pas later werd ingediend dan het beroep. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan Duitsland wordt tot vier weken na beslissing op het beroep verboden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2779

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2025 heeft de verweerder asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is.
Op 22 december 2025 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld.
Op 14 januari 2026 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Op 19 januari 2026 heeft verzoeker de mondelinge kennisgeving gekregen dat hij op 22 januari 2026 zal worden overgedragen aan Duitsland.
Op 19 januari 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om uitspraak te doen in de voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij aan Duitsland wordt overgedragen voordat op zijn beroep is beslist.
Verweerder heeft ingestemd met het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet vanwege onverwijlde spoed uitspraak zonder zitting. [1]
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
3. Wanneer tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen als verzoeker daarom vraagt. Dit kan alleen als er sprake is van onmiddellijke spoed. Dit betekent dat de beslissing op het beroep absoluut niet kan worden afgewacht. Om dit te beoordelen moet de voorzieningenrechter de belangen van verzoeker afwegen tegen de belangen van verweerder.
4. Verweerder heeft telefonisch en in de in het dossier geüploade brief van 20 januari 2026 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
5. Nu partijen het er over eens zijn dat verzoeker voorlopig niet moet worden overgedragen aan Duitsland, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt uitzetting tot vier weken nadat op het beroep is beslist.
6. Omdat de gemachtigde van verzoeker niet met het instellen van beroep maar eerst op 14 januari 2026 een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend, was de gemachtigde van verzoeker genoodzaakt de voorzieningenrechter te verzoeken de voorlopige voorziening te treffen. Daarom is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.