ECLI:NL:RBDHA:2026:3813
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland in asielzaak
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 december 2025 waarbij zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn. Op 14 januari 2026 diende verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening in om te voorkomen dat hij op 22 januari 2026 aan Duitsland zou worden overgedragen voordat op zijn beroep is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van onmiddellijke spoed en dat de belangen van verzoeker zwaarder wegen dan die van verweerder. Verweerder heeft bovendien geen bezwaar gemaakt tegen het treffen van de voorlopige voorziening. Daarom wordt de overdracht aan Duitsland voorlopig verboden tot vier weken na de beslissing op het beroep.
De uitspraak is gedaan zonder zitting vanwege spoed en bindt de rechtbank niet in het bodemgeding. Er is geen proceskostenveroordeling omdat het verzoek om voorlopige voorziening pas later werd ingediend dan het beroep. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan Duitsland wordt tot vier weken na beslissing op het beroep verboden.