ECLI:NL:RBDHA:2026:3809

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
SGR 25/8910
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bepaalt termijn voor UWV-beslissing na uitblijven medische beoordeling

Eiseres maakte bezwaar tegen een UWV-besluit waarin zij werd afgewezen voor een WIA-uitkering. Het UWV besloot niet tijdig op het bezwaar, waarna eiseres beroep instelde wegens het uitblijven van een beslissing.

De rechtbank stelde vast dat het UWV de beslistermijn had overschreden en dat het beroep gegrond was. Gezien de noodzaak van een medische beoordeling door een verzekeringsarts en de structurele tekorten bij het UWV, bepaalde de rechtbank een termijn van negen weken voor het nemen van een besluit: zes weken voor de medische beoordeling en drie weken daarna voor de beslissing.

De rechtbank legde een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, en stelde de reeds verbeurde dwangsom vast op €1.442. Tevens werd het griffierecht en proceskosten aan eiseres toegekend. Het UWV werd opgedragen binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen negen weken een besluit te nemen en een dwangsom opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8910

uitspraak van de enkelvoudige kamer 26 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.P.C.M. van Es),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze).

Inleiding

1. In het besluit van 9 april 2025 heeft het Uwv bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres heeft op 17 mei 2025 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
Eiseres heeft op 13 december 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 10 november 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
2.1.
Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
2.2.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te gelasten binnen een door de rechtbank te bepalen termijn alsnog een beslissing op bezwaar te nemen.
2.3.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege drukte en een tekort aan verzekeringsartsen.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
2.5.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 [2] heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
2.6.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
3. In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift toegezegd dat het zal proberen het dossier met spoed op te pakken. Een concrete termijn voor de afhandeling kan echter nog niet worden gegeven. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat al bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
4. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. [4]
5. Eiseres heeft verder verzocht de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
5.1.
Met toepassing van artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast op € 1442,- nu niet in geschil is dat het Uwv niet binnen 42 dagen na het verstrijken van twee weken sinds de ontvangst van de ingebrekestelling een besluit heeft genomen.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
7. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • stelt de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast op € 1442,-;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.