Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:3761

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
C/09/695708 / FA RK 25-9217
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen inzake gebruik woning, zorgregeling en alimentatie na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd sinds 2012 en hebben twee minderjarige kinderen. Na het verzoek van de vrouw tot voorlopige voorzieningen betreffende het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, toewijzing van de zorg voor de kinderen, en vaststelling van kinderalimentatie, heeft de rechtbank de zaak behandeld op 12 januari 2026.

De man stemde in met het verzoek tot uitsluitend gebruik van de woning door de vrouw en de toewijzing van de kinderen aan haar. Partijen kwamen overeen dat de man de goederen voor zijn dagelijks gebruik kan ophalen. De rechtbank bevestigde deze afspraken en legde de vrouw het bevel op de man de woning te laten verlaten.

De voorlopige zorgregeling werd vastgesteld in het belang van de kinderen, waarbij de kinderen voorlopig bij de man verblijven volgens een opbouwschema. De rechtbank wees het voorstel van de vrouw om het contact te beperken af en volgde het verzoek van de man voor meer contactmomenten. De rechtbank stelde de kinderalimentatie vast op € 392 per kind per maand, gebaseerd op het netto besteedbaar inkomen van de man en rekening houdend met zorgkorting. Het verzoek tot partneralimentatie werd afgewezen wegens onvoldoende draagkracht van partijen.

Uitkomst: De vrouw krijgt het uitsluitend gebruik van de woning en de zorg voor de kinderen, de man moet kinderalimentatie betalen, partneralimentatie wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9217
Zaaknummer: C/09/695708
Datum beschikking: 26 januari 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 5 december 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.N. Sardjoe te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Lagerwerf te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens verzoekschrift;
  • het bericht van 7 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de man;
  • het bericht van 9 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw.
Op 12 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat, de man met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2012 te [plaats 1].
- Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats 2].
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt er, na wijziging, toe dat:
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te ([postcode]) [plaats 2], [adres];
- de kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 619,- per maand per kind wordt vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- een door de man aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van € 401,- bruto per maand wordt vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoekt de man zelfstandig:
- de vrouw binnen twee dagen na de datum van de beschikking aan de man beschikbaar zal stellen de goederen strekkend tot zijn dagelijks gebruik, zoals die zijn genoemd op de aan de te wijzen beschikking te hechten bijlage;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de kinderen van partijen wordt vastgesteld;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 678,- per maand voor beide kinderen wordt vastgesteld, met ingang van de datum van deze beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De vrouw verzoekt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen. De man heeft met dit verzoek ingestemd, zodat dit zal worden toegewezen.
Goederen strekkend tot het dagelijks gebruik
De man heeft een lijst overgelegd met spullen die hij wenst te ontvangen. Partijen zijn hierover op de zitting overeengekomen dat de man de goederen strekkend tot zijn dagelijks gebruik kan komen ophalen bij de vrouw. Verder hebben partijen afgesproken dat de vrouw zal nagaan welke overige spullen van de lijst zij niet gebruikt, zodat de man deze eventueel ook kan ophalen.
De rechtbank zal conform deze overeenstemming beslissen. Niet alle afspraken lenen zich echter voor opname in het dictum. Voor zover deze afspraken zich niet lenen voor opname in het dictum, gaat de rechtbank er wel van uit dat partijen deze afspraken zullen nakomen.
Toevertrouwing kinderen
De vrouw verzoekt de kinderen aan haar toe te vertrouwen. De man heeft met dit verzoek ingestemd, zodat dit zal worden toegewezen.
Ouderschapsbemiddeling
Beide partijen hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling om te gaan werken aan de verbetering van hun onderlinge communicatie. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Zij kunnen gedurende de Ouderschapsbemiddeling proberen het verleden een plek te geven en te bespreken op welke wijze zij samen vorm willen geven aan het ouderschap.
Het proces-verbaal is reeds per e-mail verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal een kennisgeving van deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank acht het niet nodig om de procedure in afwachting van het traject Ouderschapsbemiddeling aan te houden en zal een eindbeschikking geven. De uitvoerende hulpverleningsinstantie hoeft dus geen eindverslag aan de rechtbank te zenden.
Voorlopige zorgregeling
Reguliere zorgregeling
De vrouw stelt een regeling voor inhoudende dat de kinderen bij de man zijn de ene week op zaterdag van 12:00 uur tot 18:00 uur en de andere week op zondag van 12:00 uur tot 18:00 uur. Volgens de vrouw ervaren de kinderen op dit moment veel spanningen. Hoewel de vrouw openstaat om in de toekomst het contact tussen de man en de kinderen uit te breiden, vindt zij het daar op dit moment nog te vroeg voor. Volgens haar is de door haar voorgestelde regeling dan ook het maximaal haalbare voor de kinderen.
De man is het niet eens met het voorstel van de vrouw en stelt dat er geen reden is om het contact tussen hem en de kinderen op deze wijze te beperken. Volgens de man hebben partijen gedurende het huwelijk altijd de zorg gedeeld en geven de kinderen ook aan dat zij bij de man willen verblijven. Hij acht het dan ook in het belang van de kinderen dat zij bij hem zullen verblijven iedere woensdagmiddag na school tot donderdagochtend naar school en om het weekend van vrijdagavond 18:00 uur tot zondagavond 19:00 uur.
De rechtbank heeft partijen op de zitting in de gelegenheid gesteld om afspraken met elkaar te maken. Dit is partijen echter niet gelukt. Om deze reden zal de rechtbank hierover een beslissing nemen die haar redelijk voorkomt.
Naar het oordeel van de rechtbank is de door de vrouw verzochte zorgregeling te summier. De rechtbank acht het namelijk in het belang van de kinderen dat zij voldoende tijd bij beide ouders kunnen doorbrengen. In hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om de zorgregeling tussen de man en de kinderen te beperken tot één dag per week. Om deze reden acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat toegewerkt wordt naar de regeling zoals de man heeft verzocht. Naar het oordeel van de rechtbank dient de
voorlopigezorgregeling als volgt te worden opgebouwd, inhoudende dat de kinderen bij de man zullen verblijven:
- eerste twee maanden: iedere woensdagmiddag uit school tot na het avondeten en om het weekend van vrijdagavond 18:00 uur tot zaterdag avond 19:00 uur;
- daarna: iedere week van woensdagmiddag na school tot donderdagochtend naar school en om het weekend van vrijdagavond 18:00 uur tot zondagavond 19:00 uur,
waarbij de man verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de kinderen. De man heeft verzocht om iedere ouder de kinderen te laten ophalen bij de andere ouder, maar nu de vrouw het overgrote deel van de verzorging van de kinderen draagt, acht de rechtbank het redelijk dat de man het vervoer voor zijn rekening neemt.
Vakanties
Ten aanzien van de verdeling van de vakantie- en feestdagen is de rechtbank van oordeel dat het hier gaat om een vaststelling van een voorlopige zorgregeling in het kader van voorlopige voorzieningen. Het gaat hier om een ordemaatregel: een tijdelijke regeling voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Partijen zullen in het kader van de bodemprocedure een ouderschapsplan moeten opstellen, nu dit een vereiste is voor de ontvankelijkheid van echtscheidingsprocedure. Bovendien zullen partijen een Ouderschapsbemiddelingstraject volgen. In dat licht gaat de rechtbank ervan uit dat partijen zich zullen inzetten om samen tot een verdeling van de vakantie- en feestdagen te komen. Wel zal de rechtbank ten aanzien van de voorjaarsvakantie, nu dit de eerstvolgende schoolvakantie is, bepalen dat de reguliere zorgregeling zal doorlopen.
Sportactiviteiten en verhindering ouders
Op de zitting is afgesproken dat iedere ouder verantwoordelijk is voor de sportactiviteiten van de kinderen die in zijn of haar tijd plaatsvinden. Ook is afgesproken dat in het geval één van de ouders niet voor de kinderen kan zorgen conform de zorgregeling, deze ouder zelf verantwoordelijk is voor vervangende opvang voor de kinderen.
Voornoemde afspraken lenen zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich aan deze afspraak zullen houden.
Voorlopige kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.
Ingangsdatum
De rechtbank acht het in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om als ingangsdatum de datum van deze beschikking te hanteren, te weten 26 januari 2026.
Behoefte
Bij het bepalen van de behoefte hanteert de rechtbank de uitgangspunten, als neergelegd in het Rapport Alimentatienormen en de daarbij behorende ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) van de ouders ten tijde van de samenleving worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van beide ouders samen, inclusief eventueel kindgebonden budget.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst gekeken worden naar de laatste periode waarin partijen samen hebben geleefd als gezin. Tussen partijen is niet in geschil dat dit in de tweede helft van 2025 was. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de vrouw op dat moment geen betaalde arbeid verrichte. Om deze reden zal de behoefte van de kinderen worden vastgesteld aan de hand van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man.
Ten aanzien van het NBI van de man zal de rechtbank zowel bij de bepaling van de behoefte als bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van zijn meest recente loonstroken van oktober en november 2025 en niet van de aangifte inkomstenbelasting 2024, zoals de vrouw betoogt. Daartoe overweegt de rechtbank dat gelet op het karakter van deze voorlopige voorzieningenprocedure de rechtbank uitgaat van de huidige feitelijke situatie, waarbij de loonstroken van oktober en november 2025 het meest actueel zijn.
Gelet op bovenstaande zal de rechtbank uitgaan van een bruto maandinkomen van € 7.895,-. Verder houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag, een ingehouden pensioenpremie van € 195,64 per maand en een WGA-hiaatverzekering van € 14,28 per maand. Anders dan de man, zal de rechtbank verder rekening houden met een bonus van € 10.350,- per jaar, zoals volgt uit de loonstrook van oktober 2025 en niet met een gemiddelde bonus over de afgelopen drie jaar. Zoals eerder overwogen gaat de rechtbank gelet op het karakter van deze voorlopige voorzieningenprocedure immers uit van de huidige feitelijke situatie. Tot slot zal de rechtbank, gelet op de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen, de fiscale bijtelling van de auto buiten beschouwing laten.
Aan de hand van bovenstaande uitgangspunten en rekening houdend met de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man ten tijde van het uiteengaan van partijen op € 5.561,- per maand.
Nu geen rekening wordt gehouden met inkomen aan de zijde van de vrouw, bedraagt ook het NBGI van partijen € 5.561,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben partijen geen recht op een kindgebonden budget. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van de kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.279,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dit € 1.338,- per maand, te weten € 669,- per kind per maand.
Draagkracht
De behoefte van de kinderen moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van partijen moet conform de aanbevelingen van het rapport in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].
-
draagkracht man
Zoals eerder overwogen, zal de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de man uitgaan van een bruto maandinkomen van € 7.895,-. De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht van de man eveneens uitgaan van 8% vakantietoeslag, een bonus van € 10.350,- per jaar, een ingehouden pensioenpremie van € 195,64 per maand en een WGA-hiaatverzekering van € 14,28 per maand.
Rekening houdend met de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 5.598,- per maand.
Tussen partijen is in geschil in hoeverre moet worden afgeweken van het gebruikelijke woonbudget. De man stelt dat hij de hypotheeklasten van de echtelijke woning voldoet, terwijl de vrouw met de kinderen in de woning verblijft. Daarnaast zal de man per maart 2026 een appartement huren voor € 1.699,- per maand. Het woonbudget is volgens de man daarom niet toereikend, zodat gerekend moet worden met zijn werkelijke woonlasten. De vrouw voert verweer en stelt dat in eerste instantie uitgegaan moet worden van het gebruikelijke woonbudget. Op het moment dat de man zijn huurwoning betrekt, dient er volgens de vrouw slechts rekening te worden gehouden met de helft van de huur van de man. Het overige dient de man volgens de vrouw uit zijn vrije ruimte te voldoen.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te wijken van het woonbudget van 30% van het NBI en rekening te houden met de gestelde werkelijke woonlasten van de man. Het woonbudget bedraagt € 1.679,- per maand, terwijl de huur van de man per maand al meer is. Nu de man daarnaast ook de hypotheeklasten van de echtelijke woning zal blijven voldoen acht de rechtbank het redelijk om te rekenen met de werkelijke woonlasten en in zoverre de berekening van de man te volgen.
Aan de hand van bovenstaande uitgangspunten berekent de rechtbank de draagkracht van de man op € 950,- per maand.
- draagkracht van de vrouw
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw geen inkomen heeft en ook geen uitkering ontvangt. Om deze reden zal de rechtbank aan de zijde van de vrouw rekening houden met een minimum draagkracht van € 50,- per maand
- gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (950 + 50 =) € 1.000,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte te voorzien. Er is sprake van een tekort van (1.338 – 1.000 =) € 338,- per maand. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Nu de draagkracht van partijen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend.
Zorgkorting
Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank ook de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Gelet op de bovengenoemde voorlopige zorgregeling acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een zorgkorting van 25% van de behoefte, ofwel € 335,- per maand. Mochten partijen bij Ouderschapsbemiddeling uitkomen op een significante vakantieregeling, dan staat het partijen vrij zelf deze zorgkorting aan te passen.
Het tekort aan gezamenlijke draagkracht bedraagt € 338,- per maand. Ervan uitgaande dat beide partijen voor de helft bijdragen in dit tekort en de zorgkorting € 335,- per maand op de draagkracht van de man in mindering komt, bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie [950 – (335 – 338/2) =] € 784,- per maand.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank, met ingang van 26 januari 2026, de door de man
voorlopigte betalen kinderalimentatie vaststellen op € 784,- per maand, te weten € 392,- per kind per maand. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Voorlopige partneralimentatie
Omdat partijen onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van hun kinderen te voorzien, zal de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie wegens gebrek aan draagkracht afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te ([postcode]) [plaats 2], [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
beveelt dat de vrouw aan de man de goederen strekkend tot zijn dagelijks gebruik beschikbaar zal stellen;
*
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [plaats 1],
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats 2].
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vrouw] (de vrouw),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de man]
(de man),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van de kennisgeving van deze beschikking te zenden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
*
bepaalt dat de kinderen voorlopig bij de man zullen verblijven:
- eerste twee maanden: iedere woensdagmiddag uit school tot na het avondeten en om het weekend van vrijdagavond 18:00 uur tot zaterdag avond 19:00 uur;
- daarna: iedere week van woensdagmiddag na school tot donderdagochtend naar school en om het weekend van vrijdagavond 18:00 uur tot zondagavond 19:00 uur,
*
bepaalt ten aanzien van de voorjaarsvakantie dat de
voorlopigereguliere zorgregeling zal doorlopen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 26 januari 2026
voorlopigeen kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen(bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt) van € 392,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2026.