ECLI:NL:RBDHA:2026:373

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
NL25.51470
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie over aanvragen tot machtiging tot voorlopig verblijf

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 12 januari 2026, wordt een opvolgend beroep behandeld van eisers die zich wenden tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister niet binnen de gestelde termijnen heeft beslist, ondanks eerdere aanwijzingen van de rechtbank en de Raad van State. De rechtbank heeft het verzoek van eisers om vrijstelling van het griffierecht toegewezen, waardoor zij geen griffierecht hoeven te betalen. De rechtbank heeft besloten om zonder zitting uitspraak te doen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De minister is opgedragen om binnen vier weken na de bekendmaking van deze uitspraak alsnog een beslissing op de aanvragen te nemen. De rechtbank heeft ook bepaald dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen voor elke dag dat hij de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast is de minister veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van eisers, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is openbaar gemaakt en eisers hebben de mogelijkheid om een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens zijn met deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51470

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer],

[naam], V-nummer: [nummer],

[naam], V-nummer: [nummer],

[naam], V-nummer: [nummer],

gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het opvolgende beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvragen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf.
1.1.
Eisers hebben gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.
1.2.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. In een eerdere beroepsprocedure niet tijdig beslissen heeft de rechtbank de minister opgedragen om vóór 30 juni 2026 alsnog een beslissing op de aanvragen te nemen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de uitspraak vernietigd en de door de rechtbank bepaalde uiterste datum vervangen door een termijn van vier weken na de datum uitspraak dan wel acht weken indien de minister een herstelmogelijkheid biedt dan wel zestien weken indien de minister nader onderzoek aanbiedt of twintig weken indien de minister zowel een herstel van verzuim als een nader onderzoek aanbiedt. De minister heeft dit niet gedaan.
3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
4. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de minister de bij de aanvragen ingediende documenten nog moet beoordelen, van plan is een herstelverzuim te sturen voor nadere documenten of informatie, of in afwachting is van een reactie op die herstelverzuimbrief. Dit betekent dat de minister in principe binnen acht weken een besluit op de aanvragen bekend moet maken. Echter, het gaat in deze zaak om een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen. Gelet op het tijdsverloop sinds de voorgaande procedure bepaalt de rechtbank dat de minister binnen vier weken een beslissing op de aanvragen moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
5. Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister opnieuw een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt thans een maximum van € 15.000,-. [2]
6. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. [3]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.
  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
3.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.