ECLI:NL:RBDHA:2026:3684
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige grensdetentie wegens ontbreken concreet Dublinaanknopingspunt voor overdracht aan Italië
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, in het kader van grensdetentie en de Dublinverordening. Verweerder had de maatregel opgelegd op basis van een vermoeden dat Italië verantwoordelijk was voor de asielaanvraag van eiser, maar erkende dat overdracht aan Italië vanuit grensdetentie niet mogelijk was.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel werd ingezet voor een doel dat feitelijk niet bereikt kon worden, omdat er geen concreet aanknopingspunt voor overdracht bestond. Hierdoor ontbrak een deugdelijke wettelijke grondslag en was de maatregel vanaf het begin onrechtmatig. De rechtbank benadrukte het belang van het recht op vrijheid en het ultimum remedium karakter van vrijheidsontneming.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel per direct opgeheven moest worden en kende eiser een schadevergoeding toe van €1.600 voor 16 dagen onrechtmatige detentie. Tevens werden de proceskosten van eiser aan verweerder opgelegd. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak is openbaar bekendgemaakt op 14 januari 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel en kent schadevergoeding toe wegens onrechtmatige detentie.