ECLI:NL:RBDHA:2026:3681

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
NL24.34709 en NL24.34712
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belangenafweging bij afwijzing verblijfsvergunning familie- of gezinslid met cerebrale parese

Eiser, een Keniaanse jongvolwassene met cerebrale parese, vroeg een verblijfsvergunning regulier aan voor verblijf als familie- of gezinslid bij zijn moeder in Nederland. De minister wees de aanvraag af, stellende dat eiser niet voldeed aan het mvv-vereiste en dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiser uitviel. De minister vond dat er geen objectieve belemmeringen waren om het gezinsleven in Kenia voort te zetten en dat de banden met Kenia sterker waren dan met Nederland.

De rechtbank oordeelde dat de minister een verkeerd criterium hanteerde door te spreken van 'zeer bijzondere omstandigheden' en dat het restrictief toelatingsbeleid geen zelfstandig belang is dat meegewogen moet worden. Ook was onduidelijk tegen welk staatsbelang het belang van eiser werd afgewogen. Belangrijke elementen zoals de zorgafhankelijkheid van eiser vanwege zijn cerebrale parese, de mantelzorg van zijn moeder, het vrijwilligerswerk en de economische bijdrage van de moeder, en de familiebanden in Nederland werden onvoldoende betrokken.

De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging niet evenwichtig en onvoldoende gemotiveerd was, waardoor het besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het bestreden besluit werd vernietigd en de minister werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens een onvoldoende evenwichtige belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.34709 en NL24.34712
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Vreede),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister geen evenwichtige belangenafweging heeft gemaakt. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij zijn moeder [persoon] (referente) op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [2] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, referente, de gemachtigde van eiser en H. Abdulla als tolk in de Engelse taal. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3.1.
Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1993 en heeft de Keniaanse nationaliteit. Eiser heeft op 19 januari 2023 een aanvraag ingediend voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ omdat hij in Nederland wil verblijven bij referente, zijn stiefvader en zijn stief- broer en zus. Referente is geboren op [geboortedag 2] 1971 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser is enig kind. De stiefvader van eiser is inmiddels overleden maar eiser heeft op zitting toegelicht dat hij hem al 15 jaar kende. Verder heeft eiser cerebrale parese waardoor hij gedeeltelijk verlamd is, zijn been scheef staat, hij zijn armen niet goed kan gebruiken, hij last heeft van spasme in zijn spieren en zijn hersenen zijn aangetast. Hierdoor ondervindt eiser zowel fysieke als mentale klachten.
3.2.
In het primaire besluit heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet beschikt over een geldige mvv en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister is in het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister komt tot de conclusie dat eiser onder het jongvolwassenebeleid valt en dat er tussen hem en referente sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eiser uit. De doorslaggevende factoren zijn hierbij volgens de minister; dat er geen objectieve belemmeringen zijn om het familieleven in Kenia uit te oefenen, het feit dat de banden van eiser met Kenia veel sterker zijn dan zijn banden met Nederland en dat er niet is gebleken waarom het voor referente niet mogelijk is om samen met eiser terug te reizen naar Kenia. Verder heeft de minister overwogen dat eiser in Nederland privéleven heeft opgebouwd maar ook deze belangenafweging valt in het nadeel van eiser uit.
Daarnaast is volgens de minister geen sprake van vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Eiser heeft namelijk niet aangetoond dat sprake is van bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden.
Belangenafweging
4. Eiser voert aan dat de belangenafweging van artikel 8 van Pro het EVRM ten onrechte in zijn nadeel is uitgevallen. De minister heeft nagelaten om alle elementen die in het voordeel van eiser en referente gewogen dienen te worden, bij de beoordeling te betrekken. Zo doet niet alleen eiser maar ook referente al jarenlang vrijwilligerswerk in Nederland. Dit komt niet ten voordele in de bestreden beschikking terug. Ook werkt referente in de zorg, waar een schrijnend tekort aan personeel is. Zij draagt in haar werk dus bij aan een wezenlijk economisch belang van de Nederlandse Staat. Ook dit is ten onrechte niet in het voordeel betrokken. Ook ontbreekt hier dat de echtgenoot van referente is overleden en dat zijn as in Nederland is uitgestrooid en die plek – net als een graf – een gedenkplek is waar eiser en referente de echtgenoot van referente kunnen gedenken. Ook dit is ten onrechte niet in het voordeel betrokken. Daarnaast heeft de minister volgens eiser te veel gewicht in het nadeel van eiser toegekend aan het ontbreken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Kenia uit te oefenen en de gestelde sterke banden van eiser en referente met Kenia. Verder had de minister volgens eiser als uitgangspunt moeten nemen dat eiser nog altijd behoort tot het gezin van zijn moeder in Nederland. Hierbij had de minister de cerebrale parese moeten betrekken en de daarmee gepaarde afhankelijkheid van de zorg van zijn moeder en dit zwaar, al dan niet doorslaggevend, in eisers voordeel mee moeten nemen in de belangenafweging.
5. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiser en referente. De minister neemt aan dat eiser voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Tussen partijen is enkel nog de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in geschil. De rechtbank toetst vol of de minister alle relevante feiten en omstandigheden de belangenafweging heeft betrokken. Als alle relevante feiten en omstandigheden zijn meegewogen, moet de rechtbank beoordelen of de uitkomst van de belangenafweging getuigt van een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van eiser en referente bij de uitoefening van het gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse staat. Dit laatste toetst de rechtbank enigszins terughoudend.
6. De rechtbank overweegt allereerst dat de minister in het bestreden besluit een verkeerd criterium heeft gehanteerd. In het bestreden besluit wordt namelijk door de minister overwogen dat de belangenafweging alleen in het voordeel van eiser kan uitvallen als sprake is van ‘zeer’ bijzondere omstandigheden. Door het toevoegen van het woord ‘zeer’ lijkt de minister een verzwaarde toets te hanteren die niet volgt uit jurisprudentie van het EHRM [3] of de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De minister heeft in het verweerschrift erkend dat het om bijzondere omstandigheden moet gaan in plaats van ‘zeer’ bijzondere omstandigheden maar stelt zich daarbij op het standpunt dat ook bij toepassing van het criterium ‘bijzondere omstandigheden’ de belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitvalt. Het is voor de rechtbank moeilijk vast te stellen in hoeverre het hanteren van het verkeerde criterium door de minister heeft doorgewerkt in de weging van de belangen en de uitkomst daarvan.
7. Verder overweegt de rechtbank dat de minister het voeren van een restrictief toelatingsbeleid als belang heeft betrokken in het bestreden besluit en ten nadele van eiser heeft gewogen. De rechtbank is echter van oordeel dat het restrictief toelatingsbeleid van Nederland geen op zichzelf staand belang is waarmee bij de belangenafweging rekening moet worden gehouden. [4] Het restrictief toelatingsbeleid vloeit, zo begrijpt de rechtbank, voort uit de wens om de Nederlandse economie te beschermen tegen teveel en/of bepaalde vormen van immigratie. De rechtbank verwijst in dit kader naar jurisprudentie van het EHRM, waaruit volgt dat restrictief immigratiebeleid, als legitiem doel in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, dient om de belangen van het economisch welzijn in een land te behartigen. [5]
8. Vervolgens heeft de minister in het nadeel van eiser meegewogen dat eiser gezinsleven is begonnen met referente tijdens een periode waarin de verblijfsrechtelijke status van eiser onzeker was. Het procedureel rechtmatig verblijf van eiser betekent namelijk niet dat hij zeker verblijfsrecht had. Hoewel de rechtbank de minister kan volgen in het standpunt dat het intensiveren van het gezinsleven tijdens het procedureel rechtmatig verblijf niet in het voordeel van eiser meeweegt, is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit in het nadeel van eiser is meegewogen.
9. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat niet duidelijk is gemotiveerd tegen welk belang van de Staat het belang van eiser wordt gewogen. De minister heeft in het bestreden besluit als belang van de Nederlandse Staat genoemd: het gebruik van regels voor de toelating en het verblijf van vreemdelingen, het beschermen van het economisch welzijn, de openbare orde, de rechten en vrijheden van anderen en de volksgezondheid van het land. De minister heeft echter niet al deze belangen meegewogen in het bestreden besluit. Hierdoor is het onduidelijk welk gewicht er precies aan het belang van de Staat wordt gehecht. De rechtbank volgt eiser hierbij in zijn stelling dat de minister in het bestreden besluit onterecht doorslaggevend heeft geacht dat er geen objectieve belemmeringen zijn om familieleven in Kenia uit te oefenen en dat de banden van eiser en referente met Kenia sterker zouden zijn dan met Nederland. Door alleen hierop te focussen en de overige belangen niet mee te wegen heeft de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging betrokken.
10. Zo heeft de minister bijvoorbeeld niet het economisch belang van de Staat toegelicht en betrokken in de belangenafweging. De enkele stelling van de minister dat referente een inkomen heeft, geeft geen inzicht in hoeverre de minister dit heeft meegewogen in de belangenafweging in het kader van het economisch belang. Referente werkt in de zorg als verzorgende [functie] [6] waarmee zij een bijdrage levert aan de gezondheidszorg van Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd hoe hij dit heeft meegewogen in de belangenafweging.
11. Daarnaast heeft de minister niet in de belangenafweging meegewogen dat eiser cerebrale parese heeft en hij afhankelijk zou zijn van de mantelzorg van referente. Ook is de band van eiser met zijn familie in Nederland, waaronder zijn stiefbroer en -zus, niet betrokken in de belangenafweging. Gelet op al het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank geen kenbare evenwichtige belangenafweging gemaakt waardoor er sprake is van een gebrek in de besluitvorming. De minister dient dus een nieuwe belangenafweging te maken.

Conclusie en gevolgen

12.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
12.2.
Omdat de rechtbank nu beslist over het beroep van eiser en dit beroep gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
12.3.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 374,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zaak NL24.34712.
3.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
4.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19852.
5.Bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 24 mei 2016, BIAO v. Denmark, ECLI:CE:ECHR:2016:0524JUD003859010.
6.Individuele Gezondheidszorg.