ECLI:NL:RBDHA:2026:3674

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
13/126131-23
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 5a WVW 1994Art. 163 WVW 1994Art. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor handel in harddrugs en ernstige verkeersovertredingen met gevaarzetting

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en ernstige verkeersovertredingen volgens de Wegenverkeerswet 1994. De feiten betreffen handel in cocaïne en MDMA over een periode van ruim 14 maanden, het bezit van drugs, en het rijden met ernstige schendingen van verkeersregels waarbij gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of de dood van anderen werd veroorzaakt.

De rechtbank achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend, mede gebaseerd op bekentenissen, forensisch laboratoriumrapport, chatgesprekken op telefoons, getuigenverklaringen en proces-verbalen. De verdediging pleitte deels vrijspraak wegens gebrek aan opzet en onduidelijkheid over beschikkingsmacht, maar de rechtbank verwierp deze verweren grotendeels.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de recidive van verdachte, het reclasseringsadvies en de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaar. Tevens werden inbeslaggenomen drugs onttrokken aan het verkeer en een geldbedrag verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden voor handel in harddrugs en ernstige verkeersovertredingen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 13/126131-23, 09/119681-24 en 09/361468-24 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 25 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2004 te [geboorteplaats] ,
ter terechtzitting opgegeven verblijfadres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 11 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.T. Verweijen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. T. Mustafazadeh naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging onder parketnummer 09/119681-24 ten aanzien van feit 3, ten laste gelegd hetgeen is vermeld in dagvaarding I tot en met III. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit 1 van dagvaarding II en tot bewezenverklaring van de overige feiten in dagvaardingen I, II en III.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit 1 van dagvaarding II bepleit, omdat bij de verdachte geen sprake was van opzet omdat hij hevig in paniek was geraakt. Bij dit feit kwalificeren de gedragingen van de verdachte hooguit als een overtreding van artikel 5 WVW Pro 1994, zoals subsidiair tenlastegelegd.
Ten aanzien van feit 2 van dagvaarding II heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak bepleit van het voorhanden hebben van drugs op 11 januari 2024 en op 6 april 2024.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring en opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank acht het feit van dagvaarding I en feit 4 van dagvaarding II wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal voor deze feiten volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van dagvaarding I (het voorhanden hebben van verdovende middelen op 20 mei 2023):
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 mei 2023, PL1300-2023111737-5, p. 4-6;
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 20 mei 2023, PL1300-2023111737, p. 30;
3. Een geschrift, te weten het laboratoriumrapport van het Laboratorium Forensische Opsporing Amsterdam d.d. 13 december 2024, rapportnummer 0639N23, p. 39-40.
Ten aanzien van feit 4 van dagvaarding II (weigeren adem- en bloedonderzoek):
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 februari 2026;
2. Het proces-verbaal van rijden onder invloed, opgemaakt op 7 april 2024, PL1500-2024108756-1, p. 315-319.
3.3.2.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht voorts het primaire feit 1 alsmede de feiten 2 en 3 van dagvaarding II, alsmede het feit van dagvaarding III wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank heeft onder bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor deze bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van het primaire feit 1 van dagvaarding II (artikel 5a WVW 1994)
De verdachte heeft bekend dat hij, als de bestuurder van de auto, op 6 april 2024 de in het proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2024 beschreven verkeersgedragingen – met uitzondering van het rijden onder invloed - heeft gepleegd. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte met die verkeersgedragingen (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
De verdachte heeft (a) meerdere verkeersregels overtreden die in artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn opgenomen, waaronder het (meermaals) overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid, het (meermaals) door rood licht rijden, het (meermaals) gevaarlijk inhalen en het (meermaals) tegen de verkeersrichting inrijden.
Om vast te stellen dat hij dat in ernstige mate (b) heeft gedaan, moet worden gekeken naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw genomen moeten worden.
De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de verdachte in de avond, over een afstand van ongeveer 10 kilometer en (grotendeels) binnen de bebouwde kom, meerdere verkeersregels meermalen heeft overtreden. Dat maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een schending van de verkeersregels in ernstige mate.
Het opzet van de verdachte (c) moet zowel gericht zijn geweest op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.
De rechtbank is van oordeel dat het meermalen in aanzienlijke mate overschrijden van de maximum snelheid, het meermalen een rood licht negeren en tegen de rijrichting in rijden, niet anders dan opzettelijk kan worden gedaan. Deze gedragingen kunnen bovendien naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte ook het opzet had op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Dat de verdachte zo gehandeld heeft omdat hij – zoals ter zitting namens de verdediging betoogd – “in paniek was en de controle verloor” nadat hij het stopteken van de politie had gezien, maakt dat niet anders, maar wijst er veeleer op dat hem er alles aan gelegen was om aan de politie te ontkomen. Daarin ligt naar het oordeel van de rechtbank een bewuste keuze besloten.
Dat er in deze situatie gevaar te duchten was voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen (d), is evident en blijkt ook uit het proces-verbaal waarin onder meer wordt beschreven dat een motorrijder op een kruising moest remmen om een ongeluk te voorkomen en fietsers op de rotonde waar de verdachte tegen de rijrichting in reed, hiervan schrokken en remden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het gedrag van de verdachte als een overtreding van artikel 5a Wegenverkeerswet 1994 is aan te merken. De rechtbank acht het primaire feit 1 op dagvaarding II daarom wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 2 van dagvaarding II (het aanwezig hebben van verdovende middelen)
De verdachte heeft bekend dat de op 20 juni 2023 en op 1 april 2024 bij hem aangetroffen hoeveelheden cocaïne (respectievelijk 2,7 gram en 2,06 gram) van hem waren. De rechtbank acht het ten laste gelegde feit – gezien de andere bewijsmiddelen – in zoverre wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat de verdachte partieel moet worden
vrijgesproken van het aanwezig hebben, al dan niet ‘in vereniging’, van de harddrugs die op 11 januari 2024 zijn aangetroffen in de woning aan de [adres 2] . Hoewel de verdachte ter zitting heeft bekend in deze periode in opdracht van de bewoner van genoemde woning, [naam 1] , harddrugs te hebben verkocht en afgeleverd, is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en [naam 1] ten aanzien van de op 11 januari 2024 in een kluis in de woning gevonden hoeveelheid verdovende middelen, niet gebleken. Evenmin kan worden vastgesteld of de verdachte zelfstandig de beschikkingsmacht over deze drugs had. De verdachte was geen bewoner van deze woning en is ten tijde van de doorzoeking hier zelf ook niet aangetroffen. Hoewel [naam 1] bij de politie heeft verklaard dat de in de kluis in de woning gevonden verdovende middelen toebehoorden aan de verdachte, heeft die laatste dat altijd ontkend en steunbewijs voor de verklaring van [naam 1] ontbreekt. Dit staat eraan in de weg dat het aanwezig hebben van de harddrugs op 11 januari 2024 bewezen kan worden verklaard.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het aanwezig hebben van cocaïne op 6 april 2024. De verdachte heeft ontkend dat deze cocaïne van hem was. In de auto waarin de verdachte heeft gereden, was een bijrijder aanwezig. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld aan wie de in de auto aangetroffen hoeveelheid cocaïne toebehoorde en of de verdachte hierover de beschikkingsmacht had.
Ten aanzien van dagvaarding III (het aanwezig hebben van cocaïne op 21 augustus 2024)
De verdachte heeft bekend dat de bij hem op 21 augustus 2024 aangetroffen verdovende middelen van hem waren, maar heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het om ketamine ging, en niet om cocaïne. De rechtbank acht deze verklaring van de verdachte ongeloofwaardig, aangezien van de verdachte, die naar eigen zeggen ervaring had in het gebruik van deze drugs, verwacht mag worden het verschil tussen beide te kennen.
De rechtbank acht het bij dagvaarding III ten laste gelegde feit daarom wettig en overtuigend bewezen, voor zover het betreft het opzettelijk aanwezig hebben van 3,48 gram cocaïne.
Ten aanzien van feit 3 van dagvaarding II (handel in verdovende middelen)
Ter zitting heeft de verdachte bekend dat hij enige tijd drugs heeft afgeleverd in opdracht van [naam 1] . Dit was volgens hem in ieder geval zo in 2023.
De rechtbank stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van de op 20 juni 2023 bij hem in beslag genomen Apple IPhone (goednummer 2973408), waarin de volgende usernamen als gebruiker waren opgeslagen: [gebruikersnaam 1] , [gebruikersnaam 2] , [gebruikersnaam 3] en [gebruikersnaam 4] .
In de notities in deze telefoon bevond zich een lijst met namen met daarachter een cijfer (bedrag). Deze lijst was opgemaakt op 21 november 2022, en voor het laatst aangepast op 19 juni 2023. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat deze lijst een zogenaamde ‘poflijst’ betreft, door hem op de telefoon is gezet en dat daarop bedragen werden bijgehouden die moesten worden betaald voor door hem geleverde verdovende middelen.
In de telefoon werden bovendien meerdere gesprekken via Snapchat aangetroffen tussen ‘ [gebruikersnaam 1] ’ en een aantal andere personen. De inhoud van deze chatgesprekken wijzen naar het oordeel van de rechtbank duidelijk op de handel in drugs. Zo wordt er gechat over prijzen en hoeveelheden, locaties, geldbedragen en betalingen.
Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat getuige [getuige] heeft verklaard dat hij in 2023 cocaïne kocht van de verdachte.
Verder stelt de rechtbank vast dat – zoals hierboven reeds bewezen is verklaard – de verdachte op 20 mei 2023, 20 juni 2023 en 1 april 2024 is aangehouden met (handels)hoeveelheden MDMA en cocaïne. Op 20 juni 2023 en op 1 april 2024 bleek de verdachte hierbij ook een aanzienlijk bedrag aan contant geld bij zich te hebben (€ 362,40 respectievelijk € 322,-). Ook dit duidt op de handel in verdovende middelen in deze periode.
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen voorts vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van de telefoon welke op naam staat van zijn jongere broer, [naam 2] . Ter zitting heeft de verdachte bekend dat hij deze telefoon gebruikte en dat ook de bij de gebruikersgegevens van de mobiele telefoon opgeslagen username ‘ [gebruikersnaam 5] ’ door hem werd gebruikt. Er is te zien dat op 5 april 2024, om 01.58 uur, is ingelogd in de email van [e-mailadres] . In de telefoon werden meerdere gesprekken aangetroffen tussen ‘ [gebruikersnaam 5] ’ en andere personen. De inhoud van deze chatgesprekken wijzen naar het oordeel van de rechtbank duidelijk op de handel in drugs. Er wordt gechat over prijzen, locaties, ‘lijstjes’ en betalingen. De laatste gesprekken dateren van 6 april 2024.
De rechtbank is gezien al het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs, te weten cocaïne en MDMA, in de periode van 21 november 2022 tot en met 6 april 2024.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I (13-126131-23)
hij op of omstreeks 20 mei 2023 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 0,34 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
- ongeveer 0,16 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne,
- ongeveer 0,18 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne,
zijnde MDMA en
cocaïne(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Ten aanzien van dagvaarding II (09-119681-24)
1
hij op 6 april 2024 te Alphen aan den Rijn en Boskoop, als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de wegen, de Oranje Nassausingel en de N207 en de Plankier
en de Reijerskoop en de Zijde en de Voorofscheweg en de Perengaarde, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- gevaarlijk in te halen en in te halen over een doorgetrokken streep en
- geen voorrang aan andere voertuigen te verlenen en
- de toegestane maximumsnelheid te overschrijden en
- door rood licht te rijden en
- tegen de verplichte verkeersrichting in te rijden en
- tegen een middengeleider op een weg te rijden en/of
- op een rotonde tegen de verplichte rijrichting in te rijden en
- verkeersaanwijzingen (stopteken) niet op te volgen
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
2
hij op tijdstippen gelegen in de periode van 20 juni 2023 tot en met 6 april 2024 te Boskoop
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ( op 20-06-2023:)
2,7gram van een materiaal bevattende
cocaïneen
- ( op 01-04-2024:)
2,06gram van een materiaal bevattende
cocaïne,
zijnde
cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 21 november 2022 tot en met 6 april 2024 te Alphen aan den Rijn of elders in het arrondissement Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende
cocaïneen MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4
hij op 6 april 2024 te Alphen aan den Rijn
,als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een auto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en
- aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan
een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in
een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven
aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven
aanwijzingen en
- geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier
van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie
aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen
en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
Dagvaarding III (09-361468-24)
hij, op of omstreeks 21 augustus 2024 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn,
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer
3,48gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd voornoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan hij reeds in voorarrest heeft gezeten, en een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering genoemd, met uitzondering van eventuele opname voor behandeling. Bij het opleggen van de straf dient rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten. De verdachte heeft – op de vlucht voor de politie – de verkeersregels in ernstige mate geschonden, door onder meer meermalen in aanzienlijke mate de maximum snelheid (ruim) te overschrijden, meermalen een rood licht te negeren, geen voorrang te verlenen en tegen de richting in te rijden, waaronder op een rotonde. Door deze gedragingen was levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten. De verdachte heeft zich hierdoor onverantwoordelijk in het verkeer gedragen en onaanvaardbare risico’s genomen. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich in volstrekt onvoldoende mate rekenschap gegeven van de geldende gedragsnormen in het verkeer en van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. De verdachte heeft hiermee niet alleen zijn eigen veiligheid, maar ook de veiligheid van andere verkeersdeelnemers ernstig in gevaar gebracht.
Daarnaast heeft de verdachte geen medewerking verleend aan het ondergaan van een adem- en bloedonderzoek. Door zijn weigering heeft de verdachte verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld in welke mate sprake is geweest van middelengebruik en in welke mate hij de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht. Met zijn handelen heeft de verdachte in algemene zin geen oog gehad voor de veiligheid en het welzijn van anderen. De rechtbank neemt de verdachte dit kwalijk.
De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het gedurende een periode van meer dan 14 maanden verkopen en verstrekken van harddrugs, te weten cocaïne en MDMA. Daarnaast heeft hij (handels)hoeveelheden cocaïne in zijn bezit gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van verdovende middelen, en dan met name harddrugs, een gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Daarnaast hield de verdachte met zijn handelen het drugsgebruik van anderen in stand. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding hiervan. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij voorbij is gegaan aan de belangen van de samenleving en zich heeft laten leiden door eigen financieel gewin.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 december 2025. Hieruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld vanwege rijden onder invloed en Opiumwetdelicten.
De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 9 februari 2026, waaruit volgt dat de verdachte instabiliteit ervaart op alle leefgebieden. Er is nog steeds sprake van middelengebruik en hij ontvangt momenteel geen praktische- en/of psychische hulpverlening. Vanwege de schulden en het gebrek aan inkomen acht de reclassering het risico op recidive, met name het overtreden van de Opiumwet, hoog. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt eveneens ingeschat als hoog. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert verder het volwassenenstrafrecht toe te passen. De interventies vanuit het jeugdstrafrecht worden niet passend geacht. De problematiek en leeftijd van betrokkene vragen om een jongvolwassen aanpak, geboden door de volwassen reclassering.
Toepassing volwassenenstrafrecht
De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten meerderjarig was, zodat in beginsel het volwassenenstrafrecht van toepassing is. De wet biedt de mogelijkheid om jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar te sanctioneren op grond van het jeugdstrafrecht.
De rechtbank ziet in de persoon van de verdachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan (zo is er sprake van planmatige drugshandel over een langere periode) en gelet op het advies in bovengenoemd reclasseringsrapport echter geen aanleiding om een uitzondering te maken op het uitgangspunt van toepassing van het volwassenenstrafrecht.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Hierin zijn als uitgangspunten af te leiden dat voor het verkopen en afleveren van harddrugs gedurende 18 maanden een gevangenisstraf van 18 maanden, en voor overtreding van artikel 5a WVW 1994 – bij een samenstel van gedragingen en indien sprake is van recidive – een gevangenisstraf van 8 weken passend en geboden is. Dit komt dus neer op een gevangenisstraf van 20 maanden als uitgangspunt.
De overschrijding van de redelijke termijn
Voorop staat dat in artikel 6 EVRM Pro het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt geldt dat de behandeling op de terechtzitting binnen twee jaar met een eindvonnis dient te zijn afgerond, te rekenen vanaf het moment waarop de verdachte in redelijkheid mag verwachten dat tegen hem strafvervolging zal worden ingesteld.
De bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten hebben plaatsgevonden op 20 mei 2023. De verdachte is diezelfde dag voor deze feiten aangehouden en verhoord, waardoor de redelijke termijn op die dag is aangevangen. De redelijke termijn is dus met negen maanden overschreden, terwijl aan deze overschrijding geen bijzondere omstandigheden ten grondslag liggen. De rechtbank brengt dit in het voordeel van de verdachte tot uitdrukking in de op te leggen straf.
Op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van de duur van 18 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel alle door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en om tevens te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meer personen, te weten andere weggebruikers. Vanwege de problematiek van de verdachte, die ook nu nog voortduurt, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van dat artikel uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar is.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen verdovende middelen dienen te worden onttrokken aan het verkeer en dat de twee op de beslaglijst genoemde geldbedragen verbeurd moeten worden verklaard, nu voldoende aannemelijk is dat deze zijn verdiend met de handel in verdovende middelen.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen geldbedragen aan de verdachte moet worden teruggegeven.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst inzake parketnummer 13/126131-23 onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen, terwijl de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank zal van het onder 1 van de beslaglijst inzake parketnummer 09/119681-24 genoemde voorwerp, te weten € 394,45 de teruggave gelasten, omdat de verdachte partieel wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben van harddrugs op 6 april 2024 (dagvaarding II, onder 2, vierde gedachtestreepje) en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
De rechtbank zal het onder 2 op de beslaglijst inzake parketnummer 09/119681-24 genoemde voorwerp, te weten € 362,40, verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor de verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit aan de verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp het op dagvaarding II onder 3 bewezen verklaarde feit (mede) is begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
  • 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36d, 57 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 5a en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
dagvaarding I:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
dagvaarding II;
ten aanzien van feit 1 primair:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 4:
overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
dagvaarding III:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
18 (ACHTTIEN) maanden;
bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, te weten
9 (NEGEN) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
- zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het verkrijgen van
diagnostiek, psychische problematiek, verslavingsproblematiek en cognitieve vaardigheden. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/ stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- ( (gedurende de proeftijd) of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in de [instelling] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig mogelijk. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- zich laat begeleiden door E25 of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding start zo spoedig mogelijk. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding. Gelet op de problematiek dient de begeleiding zich te richten op het verkrijgen van dagbesteding, inkomen en de toeleiding naar schuldhulpverlening. Daarnaast dient de begeleiding de veroordeelde te ondersteunen bij het stellen van doelen en het inzetten op terugvalpreventie om crimineel gedrag te voorkomen.
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
de inbeslaggenomen goederen
verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst van 31 december 2025 (13-126131-23) onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten:
1. STK Hennep (PL1300-2023111737-6343650);
3 STK Verdovende middelen (PL1300-2023111737-6343659);
6 STK Verdovende middelen (PL1300-2023111737-6343662);
gelast de teruggave aan de veroordeelde van de op de beslaglijst van 31 december 2025 (09-119681-24) onder 1 genoemde voorwerp, te weten:
394,45 EUR Geld Euro (PL1500-2024108720-G3122326);
verklaart verbeurd het op de beslaglijst van 31 december 2025 (09-119681-24) onder 2 genoemde voorwerp, te weten:
342,40 EUR Geld Euro (PL1500-2023189223-2973402).
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.G. Egter van Wissekerke, voorzitter,
mr. C.W. de Wit rechter
mr. M.L. Harmsen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2026.
Bijlage I: tenlastelegging
Dagvaarding I (13-126131-23)
hij op of omstreeks 20 mei 2023 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk
aanwezig heeft gehad
- ongeveer 0,34 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of ketamine en/of
- ongeveer 0,16 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- ongeveer 0,18 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- ongeveer 1,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende ketamine,
- ongeveer 4,71 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-MMC,
- ongeveer 0,94 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende ketamine,
zijnde MDMA en/of ketamine en/of cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Dagvaarding II (09-119681-24)
1
hij op of omstreeks 6 april 2024 te Alphen aan den Rijn en/of Boskoop, althans in het arrondissement Den Haag als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg(en), de Oranje Nassausingel en/of de N207 en/of de Plankier en/of de Reijerskoop en/of de Zijde en/of de Voorofscheweg en/of de Perengaarde, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- gevaarlijk in te halen en/of in te halen over een doorgetrokken streep en/of
- geen voorrang aan andere voertuigen te verlenen en/of
- de toegestane maximumsnelheid te overschrijden en/of
- door rood licht te rijden en/of
- tegen de verplichte verkeersrichting in te rijden en/of
- tegen een middengeleider op een weg te rijden en/of
- op een rotonde tegen de verplichte rijrichting in te rijden en/of
- verkeersaanwijzingen (stopteken) niet op te volgen en/of
- daarbij onder invloed van alchol en/of verdovende middelen heeft gereden,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 april 2024 te Alphen aan den Rijn en/of Boskoop, althans in het arrondissement Den Haag als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op een of meer weg(en), waaronder de Oranje Nassausingel en/of de N207 en/of de Plankier en/of de Reijerskoop en/of de Zijde en/of de Voorofscheweg en/of de Perengaarde
- gevaarlijk heeft ingehaald en/of heeft ingehaald over een doorgetrokken streep en/of
- geen voorrang aan andere voertuigen heeft verleend en/of
- de toegestane maximum snelheid heeft overschreden en/of
- door rood licht is gereden en/of
- tegen de verplichte rijrichting in heeft gereden en/of
- verkeersaanwijzingen (stopteken) heeft genegeerd en/of
- tegen een middengeleider op een weg is aangereden en/of
- op een rotonde tegen de verplichte rijrichting is ingereden en/of
- daarbij onder invloed van alcohol en/of verdovende middelen heeft gereden,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 20 juni 2023 tot en met 6 april 2024 te Alphen aan den Rijn en/of Boskoop en/of Nieuwkoop en/of elders in het arrondissement Den Haag tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ( op 20-06-2023:) 2,9 gram van een materiaal bevattende cocaine en/of
- ( op 11-01-2024:) 7,1 gram amfetamine en/of 28,7 gram MDMA en/of 15 gram 2C-B en/of 2,2 gram cocaine en/of
- ( op 01-04-2024:) 2,6 gram van een materiaal bevattende cocaine en/of
- ( op 06-04-2024:) 0,85 gram, althans een of meer hoeveelhe(i)d(en), van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine en/of amfetamine en/of MDMA en/of 2C-B een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 21 november 2022 tot en met 6 april 2024 te Alphen aan den Rijn en/of Nieuwkoop en/of Boskoop en/of elders in het arrondissement Den Haag althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaine, en/of MDMA en/of Amfetamine zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4
hij op of omstreeks 6 april 2024 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een auto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en
- aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen en/of
- geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
Dagvaarding III (09-361468-24)
hij, op of omstreeks 21 augustus 2024 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3,72 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.