Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Overwegingen
Wil niet terugkeren:
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
De minister legde op 5 februari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, stellende dat het beginsel van non-refoulement niet adequaat was beoordeeld. De rechtbank behandelde het beroep op 23 februari 2026, waarbij eiser afstand deed van het recht op mondelinge behandeling.
De rechtbank oordeelde dat de minister niet uitdrukkelijk had gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat eiser in het land van bestemming een reëel risico loopt op verboden behandelingen zoals bedoeld in artikel 4 en Pro 19 van het EU-Handvest. Ook kon deze beoordeling niet worden afgeleid uit de motivering van de maatregel, waarin slechts het onttrekkingsrisico werd besproken.
Gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie EU, is het vereist dat de minister deze beoordeling expliciet en deugdelijk motiveert. Bij het ontbreken daarvan verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring en gelastte onmiddellijke vrijlating van eiser.
Daarnaast kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €2.440,- voor de onrechtmatige vrijheidsontneming gedurende 20 dagen en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.868,-. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onvoldoende motivering van het non-refoulementbeginsel en eiser wordt onmiddellijk vrijgelaten met toekenning van schadevergoeding.