ECLI:NL:RBDHA:2026:3645
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing aanvraag niet-ontvankelijk verklaard
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 24 februari 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister op 23 oktober 2025 heeft beslist op het bezwaarschrift van verzoeker. Verzoeker heeft echter geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. Volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een verzoek om voorlopige voorziening alleen worden gedaan als er een beroepsprocedure tegen het besluit op bezwaar loopt.
Omdat in deze zaak geen beroep is ingesteld, is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek daarom niet inhoudelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, en openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard omdat geen beroep is ingesteld tegen het besluit op bezwaar.