ECLI:NL:RBDHA:2026:3645

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
NL22.19246
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing aanvraag niet-ontvankelijk verklaard

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 24 februari 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister op 23 oktober 2025 heeft beslist op het bezwaarschrift van verzoeker. Verzoeker heeft echter geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. Volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een verzoek om voorlopige voorziening alleen worden gedaan als er een beroepsprocedure tegen het besluit op bezwaar loopt.

Omdat in deze zaak geen beroep is ingesteld, is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek daarom niet inhoudelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, en openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard omdat geen beroep is ingesteld tegen het besluit op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.19246

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] verzoeker,

[geboortedatum verzoeker],
[V-nummer verzoeker],
(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker.
1.1
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2
De minister heeft op 23 oktober 2025 beslist op het bezwaarschrift.
1.3
Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaarschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het primaire besluit en het besluit op het bezwaar tegen dat besluit. Tegen dat laatste besluit loopt geen beroepsprocedure. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
.